maandag 6 april 2026
Rondleidingen 2026 starten weer
zondag 15 maart 2026
5 afwegingen voor het bepalen van de afmetingen van teeltbedden
maandag 19 januari 2026
Zaadvast of hybride?
Als een ras zaadvast is, dan houdt dat in dat je van de zaden van die plant ook weer (ongeveer) dezelfde planten krijgt. Dus een zaadvast tomatenras dat een lekkere, kleine, rode kerstomaat geeft, blijft als je dat zaad uit zo'n tomaatje gebruikt, gewoon een lekkere, kleine, rode kerstomaat. Maar als een tomatenras niet zaadvast is, dan kan er uit zo'n zelfgewonnen zaadje een heel andere tomaat tevoorschijn komen. Zaadvaste rassen zijn dus bij uitstek geschikt voor (moes)tuinders die met hun zelfgewonnen zaad het volgende jaar weer nieuwe planten willen kweken.
Hybride rassen hebben die eigenschap niet. Bij hybride rassen gebruikt de zaadleverancier een specifieke moeder- en vaderplant om steeds nageslacht te maken met vrijwel dezelfde eigenschappen. Waar exemplaren van zaadvaste planten onderling allemaal een klein beetje verschillen, is dat bij hybride rassen veel homogener. Het voordeel daarvan is dat bij hybride rassen de kans veel groter is dat al je bloemkolen, of al je pompoenen op hetzelfde moment oogstklaar zijn. Ze hebben veel meer de neiging om allemaal vruchten van dezelfde grootte of hetzelfde gewicht te geven. Hybride rassen passen daarom heel goed bij een industriële oogst en verwerking. Want omdat de oogst veel homogener is, kun je de machines die je voor de oogst en verwerking gebruikt beter ontwerpen of instellen. En hetzelfde geldt voor smaak of houdbaarheid. Daarin lijken de planten veel meer op elkaar dan bij zaadvaste rassen. Als je een consistente kwaliteit van een bepaalde eigenschap belangrijk vindt, dan kies je dus eerder hybride zaad dat precies die consistentie heeft van die eigenschap.
Maar er is ook een belangrijk nadeel van hybride rassen. De zaadleverancier heeft veel tijd en energie gestopt in het 'ontdekken' van de juiste combinatie van vader- en moederplant. En dat kunnen ze alleen maar terugverdienen met het verkopen van het nageslacht van deze planten: het zaad. Om die verkopen te waarborgen, houden ze de vader- en moederplant angstvallig geheim. Dus daarmee blijft de (moes)tuinder afhankelijk van de zaadleverancier om goede zaden te verkrijgen. Je zult er dus altijd voor moeten betalen. Terwijl dat in de natuur natuurlijk niet zo werkt.
Er zijn zelfs veredelaars die patenten op de genetische code van zaad proberen vast te leggen om ervoor te zorgen dat niemand anders 'hun' ontdekking kan gebruiken.
De discussie tussen zaadvast en hybride gaat dus vaak over de toegang tot zaad en de afhankelijkheid van tuinders ten opzichte van (grote) veredelingsbedrijven.
Bij De Groentemeester maken we gebruik van zowel zaadvaste als hybride rassen. Maar ik neig de laatste tijd wel iets meer naar zaadvaste rassen. Het lijkt me leuk om met zelfgewonnen zaad verder te kweken. Misschien krijgen we daardoor dan wel soorten die steeds meer specifiek zijn ingesteld op ons plekje op de wereldbol. En wat ook belangrijk is, is dat het ons minder afhankelijk maakt van derde partijen. Dat vind ik qua toegang tot ons voedsel ook wel een belangrijk punt om op de lange termijn aan te werken. En daarbij kan het ook nog eens in de portemonnee schelen. Want van een zaadvast ras hoef je voor het volgende teeltseizoen geen nieuwe zaden te kopen als je dat niet wilt. Je kunt ze zelf winnen en weer gebruiken.
zondag 11 januari 2026
Vruchtwisseling, monocultuur en polycultuur
‘Slimme’ wetenschappers hebben daarvoor allerlei middeltjes
uitgevonden die je eenvoudig over je gewassen kunt sproeien. En die neutraliseren
die beestjes en schimmels dan. Pesticiden noemen we die. Dat daar ook een hoop
nadelen aan zitten, begint langzamerhand duidelijk te worden. En daarom zijn er
gelukkig steeds meer mensen die geen pesticiden meer willen gebruiken.
Maarja, wat dan? Want die plagen en ziekten knabbelen wel
gewoon verder aan je oogst als je niet op let. Gelukkig bestaan er veel methoden
om die plagen en ziekten te minimaliseren. Voordat de pesticiden werden
uitgevonden bedreven mensen namelijk al zo’n 10.000 jaar landbouw. En in die
10.000 jaar is best wat kennis opgebouwd en zijn vele mensen gevoed. Eén van de methoden die altijd al
gebruikt werd, was het gebruik van een vruchtwisselingssysteem in kleinschalige tuinderijen. Om goed uit te
leggen hoe dat werkt, wil ik eerst twee andere begrippen toelichten, namelijk:
monocultuur en polycultuur.
Monocultuur
Bij een systeem van monocultuur verbouwt een boer of tuinder
op zijn veld maar één gewas. Bijvoorbeeld alleen spruiten. Het voordeel daarvan
is dat de boer zich kan specialiseren op dit gewas. Hij weet op welk moment hij
moet zaaien, wieden en oogsten. Hij herkent aantastingen en kan daarop snel
handelen. En zijn machines kunnen helemaal ingericht worden op de teelt van
spruiten.
Maar vanuit het perspectief van het voorkomen van ziekten en
plagen is dit het meest kwetsbare systeem dat je kunt bedenken. Want stel nou
dat er een koolwitje landt in dit veld. Dat koolwitje kan zijn voelsprieten
niet geloven. Want overal waar hij kijkt, waar hij ook heen vliegt, en waar hij
ook landt, daar ziet ie zijn favoriete kostje: allemaal koolplanten. Nooit meer
honger! Als goede ouder zal hij of zij denken: hier ga ik zorgen voor mijn
nageslacht. En dan komen de rupsen. Zo’n heel leger rupsen doen de planten geen
goed en zorgen voor een verminderde opbrengst en allerlei verontreiniging van
rupsenpoepjes in de oogst.
Of stel nou dat er een schimmel in de bodem zit die zich
alleen maar kan vermeerderen op koolplanten: knolvoet. Die slapende schimmel hangt
daar tussen de voedingstoffen, de kleideeltjes en de zandkorrels in. En dan
krijgt ie door dat er een wortel van zo’n koolplantje in de buurt komt. Daar
wordt hij wakker van. En dan wordt hij actief. Hij zoekt de wortels op en komt
er achter dat er heel veel wortels van koolplanten zijn. Hij is in de schimmelhemel
beland! De schimmel dringt binnen in de planten, zorgt daar voor allerlei vergroeiingen
in de wortelstelsels en het gevolg daarvan is dat de koolplanten zich niet goed
ontwikkelen, makkelijk omvallen en een veel lagere opbrengst geven. De schimmel
voltooit zijn cyclus door uiteindelijk uit rottende plantendelen sporen uit te
stoten. Die sporen gaan weer slapend de bodem in. Wachtend op volgend jaar als
de boer weer nieuwe kolen gaat zetten.
Als je jaar na jaar op dezelfde plek gewassen teelt uit dezelfde
plantenfamilie, dan zorgen deze plagen ervoor dat je oogst steeds verder zal
afnemen. En dan kun je eigenlijk alleen nog maar grijpen naar pesticiden die de
plagen doden.
Polycultuur (of combinatieteelt)
De natuur werkt anders. Gezonde systemen in de natuur, zoals
een gezond bos of een gezonde slootkant, kennen een hoge mate van diversiteit.
Er staan altijd planten van allerlei verschillende plantenfamilies door elkaar
in zo’n systeem. In de moestuin kunnen we dit ook doen. Dus niet alle kolen bij
elkaar. En alle prei bij elkaar. En alle wortels bij elkaar. Nee, je zet ze
expres door elkaar heen. Als zo’n koolwitje dan per toeval op zo’n koolplantje landt,
ziet ie dat de plant ernaast iets is dat hij minder lekker vindt. Of misschien
vindt hij het zelfs wel helemaal niet te eten. Hij moet dan weer op zoek naar
de volgende plant die hij wel lekker vindt. Daar raakt hij van in de war. En hij
zal liever naar een plek op zoek gaan waar het makkelijker is voor zijn nageslacht.
Hetzelfde geldt voor de knolvoetschimmel. Want die zal zich
niet in de schimmelhemel wanen, omdat er ook allerlei andere planten (met
bijbehorende schimmels) in die bodem actief zijn. Dat maakt dat het voor de
schimmel veel moeilijker is om dominantie te vergaren. En dat is voor de
gezondheid van de koolplanten in het systeem goed nieuws.
Dus polycultuur met alle diversiteit is een groot antwoord
op allerlei plagen en ziekten. En als je een kleine moestuin hebt, zou ik
adviseren om op deze manier je tuintje in te richten. Jij weet toch wel wat je
waar neergezet hebt. Dus met oogsten moet dat ook goed gaan.
Maar als je een wat grotere tuinderij hebt (zoals De
Groentemeester van een halve hectare) dan wordt een polycultuur wat onwerkbaar.
We hebben ook enige mate van efficiency nodig. En bij een zelfoogsttuin als De
Groentemeester telt ook nog mee dat het voor de oogstgenoten duidelijk moet
zijn wat waar te oogsten is. Als alles door elkaar staat, maken we het ons zelf
heel moeilijk om dat goed te kunnen aangeven. Dus daarom is een echte polycultuur
niet echt een optie in zo’n systeem.
Wisselteelt
En daar komt het vruchtwisselingsysteem om de hoek kijken. Kortgezegd
komt het er op neer dat je gewassen die tot dezelfde plantenfamilie behoren (of
die last hebben van dezelfde plagen) toch gewoon bij elkaar neerzet. Maar ieder groeiseizoen
zorg je ervoor dat ze op een andere plek in je tuin staan. Zo profiteer je van
een zekere efficiëntie, maar kun je er bij een slimme indeling ook voor zorgen
dat je plagen net een stapje voor blijft. Want die knolvoet bijvoorbeeld, voltooit
zijn cyclus in een jaar. Aan het eind van het jaar legt hij de slapende
schimmel weer in de grond die gaat liggen wachten tot het jaar erna weer
koolplanten komen. En in een wisselteeltsysteem komen er gedurende een aantal
jaren dus geen koolplanten op die plek. Die knolvoetschimmel verpietert dan hopelijk grotendeels.
En hetzelfde geldt voor plagen als rupsen. Overblijvende eitjes
en poppen worden het volgende jaar wakker in een bed met gewassen die ze
helemaal niet lekker vinden.
Op kleinschalige tuinderijen combineren we de voordelen van monocultuur en polycultuur in één systeem van vruchtwisseling. We hebben de voordelen van de efficiëntie van monocultuur en de voordelen van de diversiteit van de polycultuur, want de plotjes met één gewas zijn relatief klein.
Andere voordelen van een vruchtwisselingsysteem zitten hem
in beschikbaarheid van voeding. Koolplanten en vruchtgewassen vragen om veel
voeding en putten de bodem dan ook meer uit dan bijvoorbeeld, uien of sla. Alle
peulgewassen brengen zelfs ook voeding in de bodem in. Door deze plantenfamilies
in een goede volgorde te laten rondgaan door ieder plekje van je tuin, kun je
een systeem creëren dat steeds gezonder wordt. Dat vraagt iets meer van een
boer of tuinder dan kennis van één bepaald gewas. Maar dan kun je dus wel
voedsel telen zonder gebruik te maken van pesticiden. Zoals we al tienduizend
jaar gewend waren om te doen.
maandag 17 november 2025
Nieuwe uitdaging voor volgend seizoen
![]() |
| Dit was vorig jaar mijn levering in week 13. Dat zullen we nu anders moeten organiseren. |
Dit maakt het komende seizoen weer helemaal anders ten opzichte van de voorgaande seizoenen. Want er is niet zomaar een makkelijke oplossing voor het gat dat Jongerius ogenschijnlijk lijkt te gaan achterlaten. Wat wel bijzonder is, is dat het bedrijf helemaal niet aangeeft wat de reden is waarom de activiteiten gestaakt zijn. De medewerker van wie we het nieuws kregen op de 31e, schreef wel dat Jongerius gewoon een gezond bedrijf was. En dat de orders voor 2026 ook al goed gevuld waren. Dat maakt de speculatie dat het om een gewoon faillissement gaat in mijn ogen niet waarschijnlijk. Er is tot op heden ook nog geen faillissement aangevraagd. Maar duidelijkheid erover ontbreekt in alle toonaarden. En het is al helemaal gissen naar de werkelijke reden van het staken van de activiteiten.
Qua timing is dit overigens het beste moment in het jaar. Voor de meeste telers is het seizoen zo'n beetje net afgelopen. En je hebt nu dus de meeste tijd om je voor te bereiden op de situatie dat er geen (of veel minder) plantgoed geleverd kan worden. Dat is een uitdaging, maar ik zie dat niet somber in.
Bij De Groentemeester gaan we in eerste instantie maar eens werken aan een oplossing voor het worstcase-scenario. Dat betekent dat we er van uitgaan dat we helemaal geen plantgoed kunnen krijgen. En dat betekent dat we veel meer zelf moeten gaan opkweken. Veel deden we al zelf. Vruchtgewassen, snijbiet, NZ-spinazie en alle bloemen, bijvoorbeeld. En veel groenten zaaiden we gewoon direct in het veld, zoals wortelen, bieten, alle bonen, rucola, radijs en raapstelen. Verder hebben we ook best wel wat pootgoed zoals dat van aardappelen en uien. Ook die teelten lopen volgend jaar gewoon zoals altijd. Maar voor de kolen, de slaplantjes en gewassen zoals knolselderij en prei moet er een oplossing gevonden worden. En daarvoor gaan we eerst maar eens kijken of eigen opkweek van deze gewassen haalbaar is. Daar zijn in ons geval ook investeringen voor nodig in de mogelijkheden voor eigen opkweek. Meer zaaitrays, een perspottenpers, kweekbakken en mogelijkheden voor (enigszins) verwarmde opkweek. Daar werken we nu aan. Ruimte gaat de grootste uitdaging worden, zoals het er nu uit ziet. Maar: schouders eronder en kijken hoever we komen!
Tegelijk zijn we ook aan het kijken hoe we toch zoveel mogelijk plantgoed kunnen laten leveren. In Nederland zijn er twee biologische preileveranciers. Die zitten beiden in Noord-Limburg. In het Westland zit een kwekerij die vooral kruiden en zoete aardappels doet. En in Duitsland bestaat een plantenkwekerij zoals Jongerius: Wunderlich. En in België is er De Koster. Zij kunnen mogelijk iets betekenen om de Nederlandse markt van biologisch plantgoed te voorzien. Voor deze kwekerijen zijn de kleinschalige tuinderijen minder interessant dan de grotere biologische kwekers. En daarom zijn we regionaal aan het kijken waar we bestellingen kunnen clusteren, zodat we samen een wat 'grotere klant' worden.
Ik heb goed contact met een flink aantal kleinschalige tuinderijen in Zuid-Holland. En we trekken momenteel gezamenlijk op om te kijken hoe we onze vraag naar plantgoed kunnen bundelen. Op die manier hopen we dat we interessant genoeg blijven voor de plantenkwekers die overblijven.
Kortom het wordt een uitdagend seizoen. Maar ergens vind ik dat ook wel weer leuk. Gedwongen door de omstandigheden vinden er nu veranderingen plaats die best wel eens positief kunnen uitpakken.
En daarbij: misschien maakt Jongerius wel een soort doorstart en blijkt het probleem uiteindelijk minder groot dan het nu lijkt. Hoe dan ook: de tijd zal het leren.
En wij? Wij leren mee.












.jpg)