woensdag 29 januari 2014

Big Learning Data, je ziet het niet, maar is het er wel?

InformED geeft een mooi overzichtsartikel over het nut en gebruik van Big Data voor onderwijsdoeleinden. Zij noemen dat Big Learning Data. Een soort combinatie dus tussen Big Data en Learning Analytics.

Big Data heeft volgens hen drie kenmerken:
Volume - Er is veel van. Data van veel  leerlingen. Of veel datapunten van een leerlingen.
Snelheid - De data is snel beschikbaar. Resultaten die leerlingen halen of de ontwikkeling die ze doormaken, is (bijna) in realtime terug te vinden.
Variatie - verschillende soorten informatie zijn bij elkaar te brengen. Correlaties die eerder niet (makkelijk) opgemerkt werden, kunnen nu opgespoord worden.

Vervolgens gaan ze in op wat de voordelen voor het onderwijs zouden zijn.
Feedback - Leerlingen krijgen sneller en meer feedback en zouden zichzelf zelfs kunnen vergelijken met anderen die dezelfde feedback ontvingen.
Motivatie - Leerlingen raken meer gemotiveerd om data (ik vertaal dat als: leeractiviteiten) te produceren omdat ze zien dat het ze kan helpen.
Personalisatie - Door het gebruik van big data kan in de toekomst steeds verder gepersonaliseerd worden.
Efficiëntie - Door het gebruik van big data krijgen we steeds meer zicht op welke leerpaden voor welke leerlingen het best werken. Daardoor wordt het onderwijs efficiënter.
Samenwerking - Door het gebruik van data uit verschillende bronnen wordt samenwerking tussen specialisten aangemoedigd.
Volgen - We kunnen de digitale broodkruimels van leerlingen volgen en daardoor beter worden in het herkennen van patronen die gevolgd worden gedurende leerprocessen.
Het leerproces begrijpen - We krijgen beter zicht op de makkelijke of te moeilijke onderdelen van een leerproces. We gaan ook beter begrijpen welke invloeden inwerken op het leerproces (peers, tijd van de dag, leervoorkeuren).

Maar daarna belichten ze ook de negatieve kant van Big Data.
Privacy - Op basis van alle data kunnen profielen opgesteld worden. Een leerling zal steeds sneller in een bepaald profiel ingedeeld kunnen worden. Het gevaar hiervan is dat leerlingen veel te snel een bepaald stempel krijgen en er een zelfvervullende voorspelling optreedt die hen hun hele leven kan volgen.
Ontmenselijking - Door het gebruik van profielen treedt een ongewenste ontmenselijking op. Beoordelaars krijgen wellicht de neiging om de leerlingen als een verzameling datapunten te zien in plaats van als echte mensen.
Bedrog door cijfers - Als we steeds meer zaken in cijfers gaan vatten, ligt misbruik en bedrog op de loer. Deze cijfers zouden het leerproces moeten dienen, maar zoals je nu al ziet bij gestandaardiseerde testen gaat er een geheel eigen dynamiek aan het werk. Verschraling van het onderwijs kan het gevolg zijn.
Correlatie vs. causaliteit - Het gevaar is dat bepaalde datapatronen geïnterpreteerd worden als oorzakelijke verbanden, terwijl er alleen maar een correlatie in het spel is. Mensen moeten wel blijven nadenken bij het interpreteren van gegevens.
Gebruik van de data voor andere doeleinden - Als de learning data bijvoorbeeld gebruikt gaan worden om de kwaliteit van scholen te vergelijken, is er iets mis. Gezien de huidige praktijk is dit een terechte angst.

Tenslotte geven ze aanbevelingen over hoe om te gaan met deze ontwikkelingen.
Transparantie - leerlingen hebben het recht hoe er om gegaan wordt met de data. Hoe wordt data bewaard, gedeeld of gebruikt?
Privacy - Regels rondom privacy moeten strikt opgesteld worden. Wie krijgt de data te zien? Geaggregeerd of niet.
Waarde voor de leerling - Geef de leerling waarde voor zijn data terug. Hoe deden vergelijkbare leerlingen het? Welke hulp kregen zij? Welke vragen worden het meest fout gemaakt?
Diepte van de metingen - Niet alleen meten of een vraag goed of fout beantwoord wordt, maar ook hoe lang een leerling over het beantwoorden doet, of de weg die de muis heeft afgelegd voordat het goede antwoord gegeven werd.
Kosten - Ga niet alleen voor de makkelijk verkrijgbare data. Data die door meer moeite (lees kosten) verkregen wordt, is vaak beter van kwaliteit.
Veel factoren beïnvloeden leren - De beschikbaarheid van (beperkte) data moet ons niet doen vergeten dat er heel veel factoren van invloed zijn op leren. Blijf daar open voor staan.
Data presenteren - Hoe zorgen we ervoor dat de data betekenisvol gepresenteerd kan worden?
Gereedheid - Hoe zorgen we ervoor dat degenen die moeten gaan werken met Big Data er klaar voor zijn?
Infrastructuur - De infrastructuur moet op orde zijn om van Big Data gebruik te kunnen maken.
Openheid - We moeten gaan begrijpen in welke situaties het gepast is om data te gebruiken en te delen.

Het hele artikel is hier te lezen.

Zo langzamerhand lijkt het me inderdaad tijd te worden voor makers van (digitale) methoden om je over deze vragen te buigen. Laatst deed ik in een blogpost de suggestie dat de makers van Muiswerk hun software gratis gingen aanbieden zodat ze aan de gang konden met Big Learning Data. Dat bleek niet het geval te zijn, gezien de reactie die ik onder die blogpost kreeg.
Eerlijk gezegd verbaasde me dat.
Welke uitgever kan bevestigen dat dit wel degelijk zaken zijn waarover 'aan de achterkant' nagedacht wordt?
Of ziet Kennisnet dingen die er niet zijn?


(bron afbeelding)

dinsdag 28 januari 2014

11 online whiteboards en 5 manieren van gebruik

Free Technology for Teachers stelde laatst een lijstje van 7 gratis online whiteboard tools op. Daar worden de volgende tools genoemd:

  1. Sketchlot
  2. Aww App
  3. PixiClip
  4. Stoodle
  5. Draw It Live
  6. FlockDraw
  7. Realtime Board

Over Realtime Board blogde ik ook al eerder. Sketchlot, Pixiclip en Stoodle stonden in mijn aantekeningen om nog nader te bekijken. De rest is nieuw voor mij. Voor een overzicht van de mogelijkheden per tool verwijs ik graag naar de blogpost van Richard Byrne.
Hij noemde zelf elders op zijn blog nog Simple Surface die in dit rijtje ook niet zou misstaan.

In dezelfde categorie zou ook Twiddla kunnen vallen.
Niet (geheel) gratis, maar wel de moeite waard zijn trouwens Gynzy en Prowise.

Tot zover een opsomming van tools. Nu even terug naar de functionaliteit die door dit soort tools beschikbaar komt. Die kun je grofweg onderverdelen in de volgende elementen.

1. Traditionele whiteboard functie
Zo benoem ik de manier waarop de beginnende digibordgebruiker aan de slag gaat. Gewoon een 'stift' waarmee je letters en tekeningen op het bord kan maken. Niets mis mee, want het nut is al bewezen door jarenlang gewoon (krijt)bordgebruik.

2. Gebruik multimedia
De meeste tools laten het toe om filmpjes, plaatjes, geluidjes en animaties toe te voegen. Meestal aantrekkelijker dan de simpele tekeningetjes uit de losse pols, maar wees gewaarschuwd: cognitieve overbelasting ligt op de loer.

3. Samenwerken met leerlingen
Je kunt een whiteboard ook virtueel delen met je leerlingen. Als je in de les genoeg devices hebt, kun je ze op hetzelfde oppervlak mee laten 'schrijven'. Je kunt ook zorgen dat ze er thuis aan verder werken. Geschikt voor brainstorming en mindmapping bijvoorbeeld.

4. Materiaal hergebruiken
Met deze tools is het veelal mogelijk om dingen die je in de les op het bord zet, later nogmaals te gebruiken. Je kunt dat 'adhoc' doen, maar ook van te voren plannen. Je digibordles krijgt in dat geval een heus ontwerp dat je daarna verder kan perfectioneren of uitwerken. Het feit dat het online is, geeft leerlingen ook de mogelijkheid om na de les nog feedback op je uitleg te geven, zodat je die uitleg voor een volgende keer kunt aanpassen en verbeteren.

5. Materiaal samen delen of ontwikkelen
Met deze tools kun je met je leerlingen samenwerken, maar uiteraard ook met collega's of andere experts. Dat kan een paralleller zijn, maar ook een collega aan de andere kant van Nederland. Afstand maakt niet meer uit. In bepaalde situaties is het zinvol om direct tijdens de les contact te hebben (leuk experiment, lijkt me dat..), maar vaker zal het voorkomen dat je vooraf of achteraf over een bepaalde les contact hebt. Door die samenwerking ontstaat er waarschijnlijk feedback op elkaars lessen en daardoor zullen lessen heel snel veel beter worden.

Veelal realiseren lesgevenden zich niet dat de muren van het klaslokaal niet meer per se de grenzen van de onderwijsactiviteiten aangeven. Samenwerking, hergebruik en delen van je materiaal is zoveel makkelijker door deze tools. Maak jij daar al gebruik van?


(bron afbeelding)

maandag 27 januari 2014

TPACK nader beschouwd

Het TPACK-model is een beschrijvend model dat de veronderstelde of de gewenste deskundigheid van leraren beschrijft. Het model is een uitbreiding van het PCK-model van Shulman. Als je tegenwoordig een sessie bijwoont over technologiegebruik in het onderwijs, komt het TPACK-model vrijwel altijd ter sprake. Meestal wordt er vrij summier op ingegaan zodat het nietsvermoedende publiek in verwondering achterblijft.

Vakinhoud en didactiek
Het  model is opgebouwd rondom drie kennisdimensies die een leraar zou bezitten. De eerste dimensie is uiteraard de vakinhoudelijke dimensie. Je moet tot op zekere hoogte verstand hebben van het vak waar je les in geeft. Als je de kennis zelf niet bezit, kun je het ook niet overdragen.
Daarnaast is er de pedagogisch-didactische dimensie. Je moet verstand hebben van onderwijsleerprocessen en klassenmanagement. Wat motiveert leerlingen? Welke leeractiviteiten en werkvormen sorteren het beste effect in de gegeven situatie? Het is de kunst (laten we het onderwijskunst noemen...) om de vakinhoudelijke dimensie af te stemmen op de pedagogisch-didactische dimensie. Welke leerstof ga ik op welke manier aanbieden aan de leerlingen zodat ze er wat van (kunnen) leren?

Technologie
De derde dimensie is toegevoegd door de bedenkers (Mishra & Koehler, 2006) van het TPACK-model: dat is de technologische dimensie. Een leraar moet kennis hebben over technologie om het te kunnen aanwenden voor gebruik in het onderwijs. Daarbij onderscheiden Mishra en Koehler (2013) (pdf) twee soorten technologie, traditionele en digitale. Voor het gemak noem ik hier het potlood en het digibord als voorbeelden.
Het potlood is een vorm van traditionele technologie. Het heeft de kenmerken dat het voor een specifiek doel is ontworpen (schrijven), stabiel is (een potlood ziet er al heel lang hetzelfde uit) en transparant in zijn functie is (iedereen snapt hoe het werkt).
Het digibord is een vorm van digitale technologie en heeft precies de tegenovergestelde kenmerken. Het digibord is op vele manieren te gebruiken, is niet stabiel (verandert snel) en de werking is niet eenvoudig te snappen.
Je zult hieruit begrijpen dat de technologische kennis die een leraar tegenwoordig moet hebben, complexer is dan een paar decennia geleden.

Nu is het de kunst (onderwijskunst, he..) om ook de technologische kennis te integreren met de bestaande pedagogisch-didactische kennis en de vakinhoudelijke kennis.

Context
Maar er is meer. Want iedere leraar oefent zijn vak uit in een context. Die context bepaalt welke middelen je tot je beschikking hebt. Het maakt nogal wat uit of je twee computers achter in de klas hebt, of een groep met kinderen met allemaal een eigen device. De technologische kennis van een leraar is dus iets anders dan de technologische mogelijkheden die een leraar heeft.
En datzelfde geldt voor de andere twee dimensies: vakinhoudelijke en pedagogisch-didactische. Je kunt nog zoveel verstand hebben van anatomie bijvoorbeeld. Als je geen beeldmateriaal of anatomische modellen tot je beschikking hebt, wordt het overdragen van die kennis moeilijker dan wanneer je dat wel hebt. Je context bepaalt dus voor een groot deel de keuzes die je kunt maken in je lesgeven.
Wat het TPACK-model volgens mij probeert duidelijk te maken is dat je je mogelijkheden (keuzes) kunt vergroten als je je kennis over de drie verschillende dimensies vergroot. Je bent dan beter toegerust om je leerlingen op een effectieve manier les te geven. In sommige gevallen betekent dat dat je gebruik maakt van traditionele technologie en in sommige gevallen kies je voor digitale technologie.

TPACK the Game
Er bestaat ook een TPACK-game. Ik heb dat spelletje nu een paar keer gespeeld, en ik kan er maar niet enthousiast over worden. Je krijgt bij dat spel steeds drie kaartjes. Een technologiekaartje, een kaarje met een vak, en één met een werkvorm. De opdracht is dan meestal: maak met deze kaartjes een les. Het is vaak een gekunstelde les waarbij er haast niet gekeken wordt naar de effectiviteit, maar vooral of het technologiekaartje 'leuk' gebruikt is.
Volgens mij is TPACK zo niet bedoeld. Mijn inziens zou je een context moeten scheppen waarbinnen je de deelnemers een opdracht geeft om een ontwerp voor een les te maken. Een casus zou er zo uit kunnen zien:

"Je hebt een groep 8 van 20 leerlingen uit een achterstandswijk in Den Haag. In je klas hangt een digibord met een goede internetverbinding, én er is draadloos internet aanwezig dat helaas af en toe hapert. Iedere leerling heeft de beschikking over een ACER Iconia W510 met Windows 8 en een eigen emailadres. Op je rooster staat rekenen (een les over breuken en procenten), een dictee (vier verschillende spellingscategorieën) en een les geschiedenis (WOII). De leerlingen werken graag samen, maar hebben daarbij vrij veel structuur nodig. Er is papier en schrijfmateriaal genoeg. Achterin de klas hangt een whiteboard. De methodes van de vakken hebben eigen werkboeken met verwerkingslessen. Hoe geeft jij je lessen op die ochtend vorm?"

De uitdaging voor de deelnemers is dan om op basis van de kennis die zij hebben over technologie, didactiek en vakinhoud een effectief lesontwerp te maken. Welke keuzes maak je, en waarom?


Wil je meer weten over TPACK?
Kijk dan op het blog van Punya Mishra of op TPACK.org
Pierre Gorissen heeft een aanpasbare online versie van TPACK the Game gemaakt.
Als je assessment instrumenten zoekt waarmee je de vaardigheden en kennis van leraren in kaart kunt brengen, kijk dan hier op deze wiki.

Aanleiding voor deze blogpost is een bericht op het blog van Punya Mishra dat ze hun originele artikel uit 2006 voor de tweede keer van een update hebben voorzien. De eerste keer was in 2008. In 2013 was de tweede keer.

De afbeelding bij deze blogpost is met toestemming van de uitgever overgenomen van TPACK.org (c) 2012.




woensdag 22 januari 2014

14 gratis flashcard tools

Op het blog van Richard Byrne besteedt hij aandacht aan 10 gratis diensten waarmee je flashcards kunt laten gebruiken door je leerlingen. Waarom je die zou moeten gebruiken? Lees dan eerst deze blogpost eens.

Richard noemt in zijn post de volgende 10 diensten:
  1. Quizlet (daar moet ik me toch echt eens in verdiepen..)
  2. Cobocards
  3. Easy Notecards
  4. Faux Flash
  5. ExamTime
  6. Cram
  7. Flashcard Stash
  8. Flippity
  9. Classmint
  10. Card Kiwi
(Als je aanklikbare links en beschrijvingen van de bovenstaande diensten wilt hebben, moet je even doorklikken naar de originele post.)

Uit mijn eigen aantekeningen kan ik daar nog de volgende aan toevoegen.

Maak je al gebruik van een soortgelijke dienst? Laat dan eens een reactie achter onder deze blogpost. Ik ben zeer benieuwd naar praktijkervaringen.

dinsdag 21 januari 2014

SamenDeskundiger: ICT en het jonge kind #SDZH

Afgelopen donderdag was ik aanwezig bij een bijeenkomst van SamenDeskundiger Zuid-Holland. Dit voormalig project van Kennisnet is door de deelnemende schoolbesturen in Zuid-Holland voortgezet. Vier keer in een jaar komen we bij elkaar met bovenschoolse ICT-ers uit ondermeer Den Haag, Rotterdam, Leiden, Gouda en omgevingen. Dit was voor dit schooljaar de derde bijeenkomst en het thema was dit keer: ICT en het jonge kind.

's Ochtends praatten we elkaar bij over verschillende onderwerpen. Zo kwamen socrative en eduapp voorbij. Ik mocht iets vertellen over de ICT-leskisten die ik gevonden had bij Michel Boer. Op de Oosterlee zijn we met deze kisten aan de slag gegaan. En daarvan deed ik verslag. Aan het eind van de ochtend heb ik voor het eerst kennisgemaakt met de software van Prowise, en dan vooral het onderdeel Pro-connect.

Prowise is webbased digibordsoftware, zoals Gynzy bijvoorbeeld ook biedt. Maar Prowise onderscheidt zich op twee onderdelen. Eén: de persoonlijke licenties zijn gratis te gebruiken. Niet alleen voor privégebruik, maar ook voor de klas. Je moet pas gaan betalen als je ook lessen wilt kunnen opslaan en delen. Voor Gynzy moet je voor gebruik in school sowieso betalen.
Twee: er zit een tool in Prowise ingebouwd waarmee je leerlingen kunt laten 'stemmen' zoals bij Socrative ook kan. Voor de verschillende devices is er een app te downloaden. Je maakt binnen je digibordsoftware een klas (een code) aan, en die voeren de leerlingen in op hun device. Dan kun je vervolgens vanaf je bord een vraag versturen naar de devices van je leerlingen, en de antwoorden van de leerlingen worden weer teruggestuurd naar je bord. Ik heb daarvan drie voorbeeld gezien. Een  'gewone' meerkeuzevraag uiteraard, maar er bestaat ook de mogelijkheid om een plaatje te verzenden naar de leerlingen waarop hij vervolgens kan annoteren. In dit geval was het een kaartje van Nederland en daarop moesten wij Amsterdam aangeven met een cirkeltje. Het laatste voorbeeld was ook een plaatje,  maar dan stond daar een open vraag naast, waarop je een antwoord moest typen.
In alle drie de gevallen werden de antwoorden overzichtelijk weergegeven op het bord. En die antwoorden konden weer vergroot worden om vervolgens te bespreken. Het zag er allemaal heel makkelijk en intuïtief uit.

Gezien het feit dat wij op mijn scholen net de licenties van Gynzy hebben vernieuwd, hoop ik dat Gynzy ook snel met zo'n tool komt. :-)

De middag van de bijeenkomst werd verzorgd door Linda Humme. Zij kwam met vreselijk veel voorbeelden van digibord en tablet gebruik voor jonge kinderen. Een aantal tools die zij hierbij noemde:



Je kunt hiermee over bron op internet heen schrijven. Je hoeft alleen de URL van de webpagina (of het plaatje) in de tool te plakken. Helaas werkt het niet op een iPad i.c.m. AppleTV, want er is Flash voor nodig.



Soms is het handig om van een plaatje de achtergrond transparant te maken. Als je bijvoorbeeld een vertelplaat wilt bewerken zodat je bepaalde mensfiguurtjes kunt verschuiven ofzo. Deze tool is daarvoor bij uitstek geschikt.


  • Bronnen voor digitale prentenboeken

Zij noemde wepboek, lees-me-voor, bereslim en kleuterportaal.



Dit is een tool waarmee het voor jonge kinderen mogelijk wordt om interactieve verhaaltjes of games in een app te maken. Hier moet ik me nog maar eens verder in verdiepen.


Aan het eind was er nog wat tijd over. En Linda blijft toch ook een juf van groep 6. Ze kon het dan ook niet laten om ons ook nog even te wijzen op het bestaan van Quizlet en Educaplay. Ook twee zaken waar ik me nog even verder in moet verdiepen. Het zag er heel handig uit.

Al met al was het een heel goede bijeenkomst met genoeg inspiratie om voorlopig weer mee vooruit te kunnen.


maandag 20 januari 2014

Valcke: "Stop teaching, make them work" #inhmli

Afgelopen vrijdag mocht ik aanwezig zijn bij een masterclass van Prof. dr. Martin Valcke (Rijksuniversiteit Gent) tijdens een lesdag van de master Leren en Innoveren van InHolland. Hieronder een verslag daarvan.

Zijn motto gedurende de hele masterclass was: 'Stop teaching, make them work." En daar had hij een grote voorraad voorbeelden bij. Het beeld van een leraar die voor de klas heel erg zijn best staat te doen om (soms met luide stem) zijn (of haar) kennis over te dragen, heeft wat hem betreft afgedaan. Je zult je leerlingen moeten activeren om ze iets te leren. Dat is vele malen effectiever dan tegen een grote groep praten.

Enkele voorbeelden die hij opvoerde, waren de volgende:

1. Tutor-tutee project in Afrika
Hij liet beelden zien van een klas in Afrika waar een groep kinderen bezig was in tweetallen. Ze waren bezig met het leren lezen van Engelse teksten. De ene helft van het tweetal was een tutor en de andere was een tutee. De leerpakketjes waar de leerlingen mee bezig waren, waren hierbij cruciaal. Die waren namelijk zo samengesteld dat ze optimaal aansluiten bij de voorkennis van de leerlingen. Je moet rekening houden met de context waarin de leerlingen opgroeien en leren. Dat maakt je lessen vele malen effectiever. De begeleiding van de leerlingen is vooral gericht op de tutorrol. In die rol leren de leerlingen het meest. Ze ontwikkelen 'automatisch' metacognitie omdat ze de stof moeten uitleggen, en die metacognitie kunnen ze weer inzetten in hun eigen leerproces. Overigens wisselden de leerlingen in dit voorbeeld steeds van rol. Ze waren om de beurt tutor en tutee.

2. Digitaal systeem voor (peer)feedback
Uit zijn eigen praktijk noemde hij een voorbeeld van studenten die hij bij een studie onderwijskunde begeleidt. De opdracht in deze was dat de studenten van een bepaald wetenschappelijk artikel een abstract moesten schrijven. In plaats van dat hij alle abstracts nakeek, liet hij de studenten in groepjes van vier of vijf elkaar feedback geven. Pas na twee of drie feedbackrondes, kwam hij zelf als expert (leraar) aan de beurt om het eindproduct te beoordelen. De feedbackrondes werden georganiseerd in een digitaal systeem. Een wiki, geloof ik.

3. Groepswerk
Valcke ging in op redenen waarom groepswerk vaak niet werkt. Hij gaf aan dat dat komt omdat het proces vaak niet gestructureerd genoeg wordt aangeboden. Meestal krijgen de studenten een opdracht waarbij ze samen voor een product verantwoordelijk zijn, maar er wordt geen expliciete aandacht besteed aan hóe ze dat dan moeten doen. Valcke pleitte ervoor om als onderwijsgevende heel duidelijk te zijn over wat er verwacht wordt m.b.t. de communicatie en wat er verwacht wordt m.b.t. de taak. Je zult bepaalde rollen moeten expliciteren en afspraken met de studenten moeten maken over het hanteren van modellen en stappenplannen. Zo krijgen meelifters (ettertjes, voor de insiders ;-) ) geen kans.

4. SODAjobs
SODA is een afkorting voor Stiptheid, Orde, Discipline en Attitude. Het gaat hierbij om een project in Gent waarbij leerlingen een SODA-attest kunnen halen. Dit speelt in op de motivatie van leerlingen. Want zij willen graag werk hebben om geld te kunnen verdienen. Leerlingen die het SODA-attest halen, hebben daarmee een soort kwaliteitskeurmerk gekregen, zodat (toekomstige) werkgevers weten dat ze goede mensen in dienst nemen. Het bijzondere aan dit project is dat de bedrijven in Gent hieraan mee werken. Zij nemen alleen nog maar leerlingen aan die het SODA-attest gehaald hebben. Daarmee wordt hetgeen de leerlingen op school doen, belangrijk en betekenisvol voor een ander deel van hun leven; namelijk geld verdienen. Het SODA-attest richt zich vooral op de attitude van de leerlingen. Het gaat hier niet om cognitieve vaardigheden of schoolse prestaties. Maar het heeft daar indirect wel invloed op.

5. Anderstaligen opvang in Gent
De toestroom van anderstaligen is volgens Valcke in Gent zo groot dat aparte opvangklassen in scholen niet (meer) werken. Daardoor zijn er nu scholen ontstaan die niet meer werken met klassen naar leeftijd. De leerlingen worden gegroepeerd rond een bepaald niveau. Ze hebben wel een stamgroepen waar kinderen bijvoorbeeld tussen de 6 en 9 jaar zijn. De leerstof is opgedeeld in een groot aantal 'leerpakketjes' en die leerpakketjes zijn door de leerlingen zelfstandig te doorlopen. Ze moeten daarbij soms samenwerken met leerlingen met dezelfde stof en de leraar biedt ondersteuning waar nodig.
Het lijkt een beetje op de anderstaligenopvang die wij doen op één van mijn scholen. Maar daar mogen maximaal 16 kinderen in een klas. In Gent gaat het om veel grotere aantallen leerlingen.


In een samenvatting aan het eind van de masterclass stelde Valcke dat je het leren van leerlingen observeerbaar moet maken. Je moet taken verzinnen waaraan je kunt zien dat leerlingen aan het leren zijn. Verder, dat je respect moet hebben voor de voorkennis die de leerlingen meenemen. En daar moet je natuurlijk zoveel mogelijk gebruik van maken.
Het leerproces moet gestructureerd worden door middel van leerdoelen. En dat proces moet je continu monitoren.
En als laatste stelde hij dat je er zoveel mogelijk voor moet zorgen dat leerlingen zichzelf gaan onderwijzen. Daarbij bouwen ze metacognitie op en gaan ze zich zelf verantwoordelijk voelen voor hun leerproces. Kortom: make them work.


Als uitsmijter nog even een video waarin Martin Valcke zelf aan het woord is. Hij praat hier over de 'ideale school'. Mooi is dat hij gelijk het gegeven 'school' beetpakt. Misschien zijn heel veel basisassumpties over de school wel het heroverwegen waard... Stof tot nadenken.




(bron afbeelding)