zondag 15 maart 2026

5 afwegingen voor het bepalen van de afmetingen van teeltbedden

Toen ik in 2022 bezig was met de voorbereidingen om de tuin te starten, moest ik een enorme hoeveelheid keuzes maken over de inrichting van de tuin. Sommige van die keuzes zouden vrij permanent zijn. En dan is het wel handig om daar van te voren goed over nagedacht te hebben. 
Eén van die keuzes ging over de afmetingen van de teeltbedden waarmee ik zou willen werken. In dit blogje ga ik in op de afwegingen die meehelpen om jouw ideale bedlengte en -breedte te bepalen.


1. Maximalisatie teeltoppervlak
Je teeltoppervlak is de ruimte in de tuin die daadwerkelijk gebruikt wordt om gewassen te laten groeien. Feitelijk is dat dus de totale oppervlakte van je teeltbedden. De ruimte van de paden tussen de bedden tel je dan dus niet mee. Als je het teeltoppervlak wil maximaliseren, dan is het verstandig om per teeltbed zo min mogelijk pad in het plan op te nemen. Maar dat moet je dan natuurlijk op zo'n manier doen dat je wel overal kan komen. De makkelijkste manier om je paden tot het minimum te reduceren, is door met één hoofdpad over de hele lengte van de tuin te werken en de teeltbedden daar haaks op aan te leggen. De teeltbedden volgen dan aan de achterkant de contouren van het beschikbare gebied.

2. Efficiënte processen
De efficiëntie van processen in de tuin zit hem vaak in simpele dingen. Zo is het handig om met één maat teeltbedden te werken omdat je dan al je materialen op de maat van je teeltbedden kunt afstemmen. Als ieder bed bijvoorbeeld 10 meter lang is en 90 cm breed, dan kun je daar je doeken, netten, lijnen en bogen op afstemmen. En die passen dan overal. En dat scheelt iedere keer dat je met het planten of zaaien aan de slag gaat, een grote hoeveelheid tijd omdat je niet hoeft te zoeken naar de juiste materialen.

3. Kostenoverwegingen materialen
Dit punt staat in nauwe relatie met het vorige. Sommige teeltbenodigdheden kun je alleen krijgen in bepaalde maten of aantallen. Denk aan landbouwplastic, klimaatdoek, verenstalen staven, bamboestokken of vogelnetten. Het kan handig zijn om bij het bepalen van de afmetingen van je bedden rekening te houden met de maatvoering van deze spullen. Een rol klimaatdoek heeft bijvoorbeeld een bepaalde lengte en breedte. En je kunt dan met de verschillende maatvoeringen rekenen of je dan op hele rollen goed uitkomt. Als je dat slim doet voor al je teeltbenodigdheden, kan dat kostenbesparingen opleveren. 

4. Menselijke maat
Een ander aspect is wat ik de menselijke maat in de tuin noem. Als je de bedden (te) lang maakt, is een klus in een bepaald bed minder makkelijk te overzien. Alsof er geen einde aan zal komen. Of je 5 bedden van 10 meter hebt of 1 bed van 50 meter maakt qua teeltoppervlak niet uit. Maar die bedden van 10 meter zijn toch beter te overzien. Je kunt een bepaalde klus, zeg onkruid wieden, makkelijker in stukjes hakken en daarmee is de grote klus beter te overzien. Je hebt eerder het idee dat je vorderingen maakt. Want na 1 bed van 10 meter onkruidvrij maken, is er al één bed helemaal af. Bij het bed van 50 meter ben je na 10 meter nog niet eens op de helft. Daardoor wordt het werk bij kortere bedden sneller als prettiger ervaren. Simpelweg omdat het een betere menselijke maat heeft.

5. Mate van mechanisering
De dimensies van je bed (lengte en breedte) kun je ook laten bepalen door de mate van mechanisering die je wilt toepassen. Als je bijvoorbeeld met een woelvork je grondbewerking wilt doen, is het logisch om de breedte van de woelvork mee te nemen in de beslissing hoe breed het bed moet worden. Want dat kan je potentieel een werkgang schelen. En dat geldt ook als je gemechaniseerd aan de slag gaat. Dan is de breedte van je frees of rotorkopeg van belang voor de bepaling van je bedbreedte.
Daarnaast moet je bij gebruik van een (tweewiel)trekker ook nadenken over de ruimte die je overhoudt om de trekker te keren aan het einde van het bed. Hoe korter je bedden, hoe vaker je teeltoppervlak moet verspelen aan het aanleggen van paden om het keren van de machine mogelijk te maken. 
En als je gebruik zou willen maken van paardentractie om je land te bewerken, dan wil je je bedden zo lang mogelijk hebben. Want die paarden zijn niet zo maar gekeerd aan het eind van je bed. En dat valt met een woelvork of een frees weer reuze mee. Dus de mate van mechanisering zou invloed moeten hebben op de afmetingen van je teeltbedden.


Op de foto bovenaan deze blogpost zie je de schets die ik maakte voor de inrichting van De Groentemeester. Ik heb er toen voor gekozen om de bedden te standaardiseren op 10 meter lengte en 90 cm breedte met tussenpaden van 30 cm. Op die manier passen er 10 bedden van 10 meter in een akkertje. En totaal heb ik daardoor 21 gelijke akkertjes kunnen realiseren op het perceel. Ik ben dus niet gegaan voor het maximaliseren van het teeltoppervlak. Dat heeft uiteindelijk natuurlijk een negatief effect op de maximaal mogelijk productie, maar het zorgt er wel voor dat de tuin een gevoel van ruimte heeft. Bij een zelfoogsttuin is dat ook wat waard, omdat de beleving op de tuin een belangrijk element is.

Wat vind jij? Zijn dit inderdaad de afwegingen die er toe doen? Of mist er nog iets in dit rijtje?

maandag 9 maart 2026

Meesterschap

De tuin heet niet voor niets 'De Groentemeester'. Enerzijds uit ik daarin een soort streven naar meesterschap. Dat meesterschap is natuurlijk ook dienend aan het leerproces van anderen. In een soort meester-gezel-constructie, misschien wel. Anderzijds verwijst 'meester' ook gewoon naar mijn achtergrond in het basisonderwijs. Daar was ik jaren meester voor leerlingen uit vooral groep 4 en 5. Ook dat is meesterschap.

Ik ben trouwens nooit gestopt met het onderwijs omdat ik het niet leuk meer vond. Mijn 'probleem' is eerder dat ik veel te veel dingen leuk vind. En op een gegeven moment moet je dan keuzes maken omdat het niet allemaal meer in de wekelijkse agenda past. Om die reden heb ik op een zeker moment mijn rol voor de klas opgegeven. Maar eens een leraar, altijd een leraar zou ik bijna willen zeggen. Want de tuin biedt veel perspectief om mijn oude rol van meesterschap weer nieuw leven in te blazen.

Een tuinderij zoals ik die nu run, is niet alleen een omgeving waarin ieder seizoen een enorme berg voedsel geproduceerd wordt. De eerste jaren van het bestaan van de tuin heb ik weliswaar gebruikt om de tuinderij gewoon als voedselproducerende eenheid neer te zetten. Om er voor te zorgen dat de basis staat. Zodat we uit de kosten komen en mensen ons weten te vinden. We produceren voedsel en inmiddels ook bloemen. En we doen dat op een manier die de biodiversiteit en het natuurherstel stimuleren. Dat doen we om te laten zien dat dat gewoon kan. Zonder kunstmest en bestrijdingsmiddelen.

Tegelijkertijd is de tuin ook met opzet een sociale omgeving. Een omgeving waarin mensen tot zichzelf kunnen komen en elkaar kunnen vinden. En een omgeving die mensen 'aan' kan zetten. De tuin doet een beroep op al je zintuigen. De natuur nodigt je uit om meer te weten te komen. Je vindt de menselijke maat hier terug. En de tuinderij is daardoor tegelijkertijd dus een enorm rijke leeromgeving, gewoon door de 'aard van het beestje' zelf.
Met mijn achtergrond als leraar komen die twee dingen bij elkaar. Een plek die uitnodigt tot interactie en leren. En een grote (beroepsmatige) interesse om mensen tot ontwikkeling te brengen.

We werken momenteel aan verschillende sporen om mensen tot ontwikkeling te brengen. Eén van die sporen is de uitnodiging voor basisscholen om een excursie naar de zelfoogsttuin te komen doen. In samenwerking met Code Groen Educatie en gemeente Maassluis zijn die excursies zelfs kosteloos te volgen voor de basisscholen uit Maassluis. Scholen uit omliggende gemeenten zijn ook welkom, maar die dragen dan zelf de kosten. Overigens zijn daar ook subsidies voor te vinden als die scholen oprechte interesse hebben.

De excursie begint met een hartelijke ontvangst van de klas op de tuin. Daarna loop ik met de leerlingen een rondje over de tuin waarbij ik van alles vertel en zoveel mogelijk vragen probeer te beantwoorden die bij de kinderen in de hoofden schieten. Want dat gebeurt nou eenmaal. Ze komen van alles tegen en moeten aan allerlei dingen denken als ze over de tuin lopen. De meeste kinderen zijn van nature nieuwsgierig en daar maak ik dan ook graag gebruik van. 
En dan is het tijd om de handen uit de mouwen te steken. Want een deel van het leren gebeurt door te dóen. De leerlingen mogen helpen met allerhande tuinklusjes. Dat kan van alles zijn. De kinderen gaan met hun handen in de aarde, leren over het belang van wieden of hoe je ervoor zorgt dat het zaadje dat je zaait ook echt een gezonde plant wordt. Omdat we tot wel 90 verschillende soorten groenten verbouwen, valt er altijd wel iets te doen en nog méér te leren. 
Natuurlijk is er aan het einde van het bezoek ook altijd wel iets te proeven uit de tuin. Met een voldaan gevoel zal de klas huiswaarts keren. Kortom plezier verzekerd!

De komende periode staat al een flink aantal klassen gepland voor een bezoek aan de tuin. Maar er is nog plek voor meer klassen. Lijkt het je leuk om met je klas een excursie te doen naar De Groentemeester, neem dan vooral contact op. Meer informatie vind je op www.degroentemeester.nl/educatie. We hebben vooral nog plek in de periode tussen de meivakantie en de zomervakantie. En als ik eerlijk ben, is dat de beste tijd om de tuin te bezoeken. Het staat er dan allemaal al mooi bij. En de groei zit er dan nog goed in! Dus grijp die kans.

woensdag 4 maart 2026

Werken met vrijwilligers

Vanaf het eerste begin van de zelfoogsttuin in 2023 heb ik me ervoor ingezet dat zoveel mogelijk mensen betrokken konden raken bij ons initiatief. Niet alleen als oogstgenoot, maar ook als vrijwilliger kunnen mensen actief worden.

Waar andere organisaties lijken te worstelen met het werven van vrijwilligers, gaat het bij ons eigenlijk (bijna) vanzelf. Op dit moment starten we weer met het vrijwilligerswerk. En ik kan rekenen op een club van ongeveer 30 mensen groot. Die komen regelmatig, vaak op wekelijkse basis, helpen met allerhande klussen in en om de tuin. Weer of geen weer, we staan er altijd weer met een behoorlijk clubje.
Af en toe vraag ik me af hoe het komt dat wij in tegenstelling tot andere organisaties zo makkelijk vrijwilligers aan ons weten te binden. Ik denk dat daarin de volgende factoren meespelen:


1. Het werk geeft voldoening. We bieden allerlei werkzaamheden aan in en om de tuin. We maken bedden klaar, zaaien en planten gewassen, wieden onkruid, doen onderhoudswerk aan gereedschap en bouwen zo nu en dan iets nieuws. Wat het werk meestal gemeen heeft, is dat het klussen zijn die een kop en een staart hebben. Met zichtbaar resultaat. Dat maakt dat we meestal voldaan kunnen terugkijken op een paar uurtjes werk.

2. Het werk trekt gelijkgestemden. Ik weet niet of je kunt spreken van één type mens dat bij ons vrijwilligerswerk komt doen, want daarvoor verschillen de individuen toch ook weer te veel. We hebben vrijwilligers in allerlei leeftijdscategorieën. Vrouwen en mannen. Praters en zwijgers. Vegetariërs en vleeseters. Reislustige en honkvaste mensen. Kortom: van alles dus.
Maar tegelijkertijd zijn het ook allemaal mensen met een hart voor groen, gezondheid en gezelligheid. En bovenal mensen die iets willen dóen. Met een aanpakmentaliteit. Maar dan weer zonder daarin door te slaan. Een beetje 'kalm aan en rap een beetje'. Daardoor heerst er een grote rust én daadkracht in de groep. En het is fijn om daar deel van uit te kunnen maken.

3. We geven de vrijwilligers regie over hun eigen tijd. Veel vrijwilligersorganisaties hanteren zinnetjes als 'Vrijwilligerswerk is vrijwillig, maar niet vrijblijvend.' Daarmee bedoelen ze vaak dat je ingedeeld wordt in een rooster. En dat je er dan ook móet zijn. Dat is bij ons niet zo. We hebben wel vaste dagen en tijden waarop je mee kunt komen helpen. Maar je hulp blijft vrijwillig en vrijblijvend. Als vrijwilliger heb je de regie over je eigen tijd. Dus als je zin hebt om een half uurtje te komen werken is dat net zo goed als iemand die de hele dag komt. Want daar ga je namelijk zelf over. Het is vrijwilligerswerk, en het moet wel leuk blijven.

4. Het moet wel leuk blijven, inderdaad. En daarom vraag ik iedereen om aan te geven wat hij of zij leuk vindt om te doen. Want wat voor de één een rotklus is, is dat voor een ander juist niet. We zijn allemaal verschillend. En door goed te luisteren naar wat iedereen leuk en stom vindt, kun je het werk vaak ook goed indelen. Het resultaat is daardoor vaak ook beter. Want als je een stom klusje moet doen, dan ben je toch geneigd om daar minder liefde in te steken. Maar als je een klus mag doen die bij jou tot de verbeelding spreekt, dan doe je vaak ook beter je best. Op deze manier maken we slim gebruik van de intrinsieke motivatie van de mensen die meehelpen. En dat is een grote win-win. 

5. Het werk is afwisselend en bevat ook genoeg routine. Er ligt iedere week nou eenmaal een behoorlijke berg verschillende klussen die gedaan kunnen worden. Daar zit grof en fijn werk tussen. Zwaar en licht. Staand en en laag-bij-de-grond werk. Werk dat je op de automatische piloot kan doen en werk waarbij je echt wel focus nodig hebt. En als je een favoriet klusje hebt, bouw je daar automatisch routine in op door het vaker te doen. De mogelijkheid om routine op te bouwen is net zo fijn als de mogelijkheid om allerlei afwisselende dingen te doen. 


Dit zijn volgens mij de belangrijkste redenen waarom mensen graag in de tuin komen helpen. Misschien zijn er nog wel meer redenen waarom vrijwilligers blijven plakken. Als je een aanvulling hebt, vind ik het leuk als je dat laat weten. Daar ben ik wel benieuwd naar.

--

Ook vrijwilliger worden? Dat kan. Ga naar www.degroentemeester.nl en meld je aan via de knop 'opgeven als vrijwilliger'. 
We werken op dinsdag en donderdag tussen 9.00 en 17.00 uur, en op zaterdag tussen 9.30 en 14.30 uur.

zondag 22 februari 2026

Het belang van standaarden

Iedereen die regelmatig op een tuinderij komt, of je nou eigenaar, medewerker, vrijwilliger of oogstgenoot bent, zal herkennen dat er in het zomerseizoen heel veel werk verzet moet worden. En vaak 'moet' er ook van alles tegelijk. Om er dan voor te zorgen dat je hoofd niet over loopt, is het handig om structuur aan te brengen in de manier waarop de dingen op de tuin georganiseerd zijn.

Inmiddels zullen jullie wel weten dat ik vrij gestructureerd te werk ga. Ik vind dat prettig. Niet om me rigide vast te houden aan allerlei verzonnen regeltjes. Maar om ervoor te zorgen dat er een kader is waarbinnen je flexibel kunt opereren.

Een ontwerpelement daarbij is het gebruik van standaarden. Standaarden maken de werkzaamheden bij goed gebruik een heel stuk overzichtelijker. En daarom heb ik bij het opzetten van de tuin nagedacht over het gebruik van standaarden.

Zo hebben alle teeltbedden in de tuin dezelfde afmetingen. Alle groentenbedden zijn 10 meter lang en 90 centimeter breed. Alle kruiden- en bloemenbedden zijn 5 meter lang en ook 90 cm breed. Daardoor zijn al mijn doeken, netten en plantlijnen afgestemd op deze maten. Ieder doek past op ieder bed en dat zorgt ervoor dat we geen waardevolle tijd hoeven te verdoen aan het passen en meten van het geschikte materiaal.

Ook voor de werkwijzen hanteren we standaarden. De volgorde van het planten van een bed is bijvoorbeeld altijd hetzelfde: eerst frezen, dan bedden uitmeten, dan paden lopen, dan compost verdelen, dan plantlijnen trekken, dan plantgoed op de juiste afstand neerzetten en dan planten. Voordat we het plantgoed planten, gaat iedere kist een kwartiertje in een badje zodat de kluitjes goed nat zijn als ze de grond in gaan. Na het planten trekken we een tunnel of een doek over het bed. En zo gaat iedere plantactie, of het nou broccoli, sla of knolselderij is, in zijn werk.

Zo'n standaardwerkwijze wordt ook wel een SOP genoemd. Dat staat voor Standard Operating Procedure. In de meeste gevallen gaat het bij ons op de tuin om een simpel stappenplan. Maar een SOP kan ook hiërarchisch in elkaar zitten of als stroomdiagram opgesteld worden. Een ander format waarin een SOP opgemaakt kan worden is een checklist
. Het gaat erom dat voor iedereen duidelijk is (vrijwilligers, oogstgenoten of medewerkers) hoe ze een taak moeten uitvoeren. Als je meer wilt weten over SOP's, zou ik hier even kijken. 

Je kunt standaarden zo ver doorvoeren als dat je zelf wilt. Wat voor mij belangrijk blijft, is dat de gehanteerde standaarden zorgen voor genoeg structuur zodat werkzaamheden veilig, gezellig en enigszins efficiënt uitgevoerd kunnen worden. Maar de structuur moet niet te beklemmend worden. Als iemand die vrijwillig komt helpen, zich lekkerder voelt bij een net een iets andere aanpak die leidt tot hetzelfde resultaat, dan moet dat mogelijk zijn. Standaarden zijn geen heilige regels. Maar ze geven wel overzicht, rust en voorspelbaarheid bij goed gebruik. En daar is iedereen bij gebaat.

--

Meer weten over Zelfoogsttuin De Groentemeester?

dinsdag 17 februari 2026

Sturen op data - aanwezigheid oogstgenoten

Vorig jaar was de Dutch Flower Group bij De Groentemeester op bezoek. Eén van mijn oogstgenoten werkt(e) daar en organiseerde een netwerkbijeenkomst bij De Polderij. Hij wilde zijn collega's inspiratie mee geven en had gevraagd of ik een rondleiding wilde verzorgen. Omdat ik dat altijd leuk vind, was dat snel afgesproken.

Met ongeveer 30 mannen en vrouwen in mijn kielzog liep ik een rondje over de tuin. En zoals men dat van mij gewend is, vertelde ik honderduit over het reilen en zeilen op de tuin. Naarmate ik meer vertelde, kwamen er meer (inhoudelijke) vragen. De nieuwsgierigheid was in ieder geval gewekt.

Omdat het op die dag best wel koud was door een koude, snijdende wind, en sommige van de deelnemers daar eigenlijk niet goed op gekleed waren, rondden we de sessie binnen bij de Polderij af. En daar begon voor mij het leerzame gedeelte. Eén van de directeuren van de groep was ook aanwezig en hij nam de rol als gespreksleider op zich. Hij zette de groepjes aan de slag met een kleine opdracht die er op neer kwam dat ze moesten delen wat ze van deze rondleiding geleerd hadden. Nou, daar kwam de feedback!

Eén van de dingen die ik terug kreeg, en die ik me tot dat moment eigenlijk niet zo gerealiseerd had, was dat ik overal uit de tuin sturingsinformatie haal. Ik neem mijn beslissingen niet zomaar. Ik verzamel informatie, ik analyseer en op basis van die analyses besluit ik om dingen te doen of te laten.

Eén van de voorbeelden is het verzamelen van informatie over de aanwezigheid van oogstgenoten. Als oogstgenoten op de tuin hun groenten komen oogsten, vraag ik van ze om eerst even een kruisje te zetten. Daarvoor hebben we bij het schoolbord een map liggen waarin ze de datum van vandaag achter hun naam aankruisen. Zo kan ik aan het eind van het seizoen terug kijken hoe vaak iedereen geweest is. En dat levert meer informatie op dan dat je op het eerste gezicht denkt.

Want...

1. Op basis van deze informatie kan ik vaak een inschatting maken of iemand het volgende jaar ook oogstgenoot wil zijn. Die inschattingen zet ik af tegen de lengte van mijn wachtlijst. En zodoende weet ik of ik daar nog extra aan moet trekken. Of niet.
2. Het geeft inzicht in het 'gebruik' van de openingstijden. Welke dag is populair en welke dag wat minder. Heeft het dan zin om op die dag open te zijn?
3. En kan ik anders omgaan met de maximumcapaciteit van de tuin? Nu is 100 oogstgenoten het maximaal aantal deelnemers dat de tuin aan kan en ik verkoop dus ook 100 oogstaandelen in een seizoen. Maar stel nou dat door de jaren heen er iedere week ongeveer 10% niet komt opdagen om de oogst binnen te halen. Die oogst wordt wel geproduceerd. Dat betekent dat ik 10% meer oogstaandelen kan uitgeven zonder dat dat ook maar iemand benadeelt.

En dit voorbeeld is slechts één van de wijzen waarop ik data verzamel. Niet om op individueel niveau ook maar iemand te controleren. Maar juist de analyse van het totaalbeeld is interessant om op te sturen.

Het mooie van het geven van deze rondleiding was dat ik in de afronding veel positieve feedback kreeg. Waarbij ik dus ook over mijn eigen aanpak leerde omdat het expliciet gemaakt werd hoe ik het doe. Ik kijk nog steeds dankbaar terug op dat moment.


---

Ook nieuwsgierig naar een rondleiding op afspraak? Neem gerust contact op!

zondag 8 februari 2026

De rol van oogstgenoten

Er is goed nieuws! Voor komend seizoen heeft De Groentemeester het maximaal aantal oogstgenoten bereikt. In 2026 kunnen 100 oogstgenoten straks weer genieten van knetterverse groenten van het land. Voor het zover is, moet er nog wel een hele hoop gebeuren. Maar dat komt wel goed. De voorbereidingen liggen in ieder geval op schema.

In deze blogpost wilde ik eens ingaan op de rol van oogstgenoten. Die rol is namelijk cruciaal om een initiatief zoals De Groentemeester levensvatbaar te maken en te houden. En we zijn vanaf het begin gezegend geweest met voldoende animo oogstgenoot te worden bij de zelfoogsttuin.

We werken volgens het principe van Community Supported Agriculture. Het gaat er daarbij om dat de gemeenschap die om de tuin heen staat, ervoor zorgt dat we voedsel kunnen produceren voor die gemeenschap. Bij ons heten de deelnemers aan die gemeenschap 'oogstgenoten'. De oogstgenoten delen met elkaar in de oogst. In voor- en tegenspoed. Dus als de oogsten groot en overvloedig zijn, dan is er veel te kiezen. En als het tegenzit, wordt dat ook met zijn allen gedragen. 

De oogstgenoten brengen voordat het seizoen begint met zijn allen het kapitaal samen om zaden, plantgoed, compost en gereedschap te kunnen betalen. En omdat één en ander ook coördinatie en (een hoop) werk vraagt, is het ook handig als er genoeg geld bijeen gebracht wordt om de tuinder een eerlijk loon te geven. Meewerken in de tuin mag, maar is niet verplicht. En als je meewerken wel fijn vindt, maar geen oogstgenoot wil zijn, kan dat ook. Dan word je vrijwilliger. Ieder draagt bij naar eigen kunnen. En alle inzet wordt gewaardeerd.

Community Supported Agriculture is dus inherent een solidaire organisatievorm. Solidair naar elkaar toe omdat je de oogst van dat seizoen met elkaar deelt. En solidair naar de tuinder toe omdat hem een eerlijk loon gegund wordt. Hij is er immers verantwoordelijk voor dat er überhaupt oogst is om te verdelen.

Maar wat mij betreft gaat het verder dan alleen een financieel plaatje dat werkt. De gemeenschap die zich rondom zo'n plek vormt, gaat ook andere verbindingen met elkaar aan. Vriendschappen ontstaan, het landschap wordt nieuw leven in geblazen, biodiversiteit ontwikkelt zich en de menselijke maat wordt weer teruggevonden. Er wordt weer samengewerkt met de natuur. En creativiteit, gezondheid en ondernemerschap worden gestimuleerd.

Zo hebben we ook dit jaar weer een prachtig workshopprogramma. Met rondleidingen door zowel de tuin als het voedselbos, maar ook tekenworkshops, bloembindworkshops, kruidenwandelingen, natuurgeneeskunde voor dieren, yogalessen en workshops ecoprinten. En dat is slechts een greep uit het komende aanbod. Met dit workshopprogramma hopen we nog meer betrokkenheid te kweken bij alle activiteiten die we ontplooien. Samen zorgen we zo voor een mooie natuurlijke plek, met leuke en leerzame activiteiten en gezellige mensen. 

En het is dus dankzij de oogstgenoten dat deze plek heeft kunnen groeien. Zonder het spreekwoordelijke zaadje dat zij met zijn allen geplant hebben, hadden we niet zo ver kunnen komen. Dank!

dinsdag 3 februari 2026

Organiseren van eigen leren

Even een blogje over het organiseren van mijn eigen leren.

Ik ben vanaf mijn vroegste jeugd al gezegend met een groot leervermogen. Mijn interesses zijn breed en nieuwe dingen doen en uitzoeken blijf ik het leukste vinden. In 2020 kwam ik erachter dat ik mezelf tot de multipotentialisten mag rekenen. Ik creëer en verbind graag.

Maar met alleen een potentieel leervermogen ben je er niet. Dat vermogen moet wel aangewend kunnen worden. En dat moet je dus organiseren. Deze blogpost gaat erover hoe ik dat organiseer.


Schrijfsels 
Ten eerste is dit blog een manier om het leren vorm te geven. Ik ben zelfs een keer gestopt met bloggen én weer begonnen omdat ik het blog als motor van het leren miste. 
Maar ook het wekelijks schrijven van een nieuwsbrief schaar ik onder het organiseren van mijn eigen leren. Want door dingen op te schrijven en uit te leggen kom je erachter hoe ver je zelf (wel of niet) boven de stof staat. En dat helpt dus heel erg om de dingen beter te leren snappen en verbanden te zien.

Peers
Ten tweede is het handig om mensen om je heen te verzamelen die dezelfde dingen interessant vinden. Want dan kun je vragen stellen (en beantwoorden) en samen dingen uitzoeken die te ingewikkeld zijn om alleen te doen. Ik heb inmiddels via mijn opleiding aan de Warmonderhof een heel netwerk van mensen om me heen gebouwd die zich bezig houden met groenteteelt en kleinschalige landbouw. 
Zo bestaat er een appgroep die Willems Wever heet: wereldberoemd in het wereldje van kleinschalige en bio-landbouw. In die groep zitten ruim 600 leden en iedere teeltgerelateerde vraag kun je daar stellen. Of het nou om het gebruik van een zaaimachine gaat, de kiemtemperatuur van tomaten of de beste leverancier van zaaitrays, je krijgt altijd wel een geschikt antwoord. Daarmee vertoont deze simpele appgroep veel kenmerken van een leernetwerk.

Verenigingen
Het lidmaatschap van verenigingen zorgt er ook voor dat ik bij blijf. Zo ben ik lid van het CSA-netwerk, van vereniging Voedsel uit het Bos en van Toekomstboeren. Die clubs vragen lidmaatschapsgeld en organiseren bijeenkomsten en conferenties of symposia waar je aan mee kunt doen. En uiteraard versturen ze nieuwsbrieven en proberen hun leden zoveel mogelijk met elkaar in contact te brengen. Zo komen er soms onderwerpen op je pad waar je zelf nog niet aan gedacht had. Of ze schetsen ontwikkelingen die je vervolgens ook kunt gaan volgen.

Projecten
Meedoen met relevante projecten is ook een manier om iets op te steken. Via stichting Zaadgoed worden bijvoorbeeld jaarlijks rassenproeven georganiseerd. Ik heb me vorig jaar met de tuin opgegeven om daaraan deel te nemen. In 2025 deed ik mee met aubergines, paprika's, snijbonen en bieten. Komend seizoen heb ik me opgegeven voor deelname met wortel en pompoen. Je krijgt dan van die groentesoorten een aantal verschillende variëteiten. En met die verschillende variëteiten doe je dan ervaring op als teler. De opgedane ervaringen worden binnen het project met elkaar gedeeld. 
Doel van het project is dat tuinders (en oogstgenoten) zich veel bewuster worden van het belang van het gebruik van patentvrije, zaadvaste rassen. Voor mij is het vooral ook een manier om aan mijn eigen professionele ontwikkeling te blijven werken. Want het project dwingt je om goed naar gewassen te kijken en ook na te denken over selectie bijvoorbeeld. Binnen het project leerde ik nieuwe tuinders en andere belanghebbenden kennen die ik op andere plekken ongetwijfeld ook weer tegen ga komen.

Samenwerkingsverbanden
In onze provincie ben ik niet de enige die een kleinschalige tuinderij gestart is. Er zijn zo nog een tiental initiatieven. Via mijn oude stage ben ik vrij snel bij deze groep terecht gekomen. En sinds Jongerius gestopt is, is de samenwerking tussen deze tuinderijen nog steviger geworden. We gingen al een tijdje steeds bij elkaar op bezoek. We bekeken elkaars tuinderijen en bespraken bijvoorbeeld ook met elkaar de financiële uitdagingen rondom het runnen van een tuinderij. En dit jaar werken we voor het eerst samen binnen een inkoopcollectief. Op die manier bundelen we krachten om bij een Belgische plantenkwekerij plantgoed te kunnen afnemen. Zo'n samenwerkingsverband is van onschatbare waarde in onze professionele ontwikkeling. Fijn om een niet-anonieme groep te hebben bij wie je terecht kunt met vragen en zorgen.

Nieuws en boeken
Via bovenstaande kanalen worden relevant nieuws en interessante publicaties ruim gedeeld. Zorgen dat je dat op gezette tijden tot je neemt helpt natuurlijk ook enorm. Mijn boekenkast is inmiddels ruim gevuld met boeken rondom (biologische) groenteteelt, herstellende landbouw, permacultuur en voedselbossen.

Gelukkig raak ik nooit uitgeleerd. Er is zoveel te weten in de wereld. En ik heb inmiddels (aan mezelf) bewezen dat ik me vrij snel in een nieuw vakgebied kan inwerken. Nieuwe vaardigheden maken je als persoon rijker. En dat bedoel ik niet in financiële zin. Dat is uiteindelijk bijzaak.


zondag 25 januari 2026

Ritme en regelmaat

Veel mensen realiseren zich niet dat het runnen van een tuinderij een hoge mate van complexiteit met zich meebrengt. Bij De Groentemeester telen we groenten en kruiden voor 100 oogstgenoten. Dat komt neer op zo'n 90 tot 100 verschillende gewassen. Daarnaast doen we ook nog eens 20 tot 30 verschillende soorten bloemen in een seizoen. Ieder gewas heeft zijn eigen tijd van zaaien, planten en oogsten. En dat stemmen we in het teeltplan allemaal op elkaar af.

Bovendien faciliteren we op de tuin ook nog eens activiteiten zoals lessen voor basisschoolgroepen, uitjes voor teams en rondleidingen voor algemeen belangstellenden. En natuurlijk zijn er ook dagen waarop de oogstgenoten hun oogst komen binnenhalen. Een drukke bedoening die zich voornamelijk in het seizoen afspeelt.

Gelukkig hoef ik het allemaal niet in mijn eentje te doen. Ik krijg regelmatig hulp van een flinke club vrijwilligers. Totaal zo'n dertig mensen sterk. Dat is gezellig en zorgt ervoor dat de tuin er steeds weer mooi bij ligt.

Mijn behoefte aan structuur is vrij groot. Niet om me daar rigide aan vast te houden. Maar het geeft me een raamwerk waarbinnen ik flexibel kan opereren. Een goede structuur geeft rust en voorspelbaarheid. Mijn teeltplan denk ik tijdens de winterperiode van het jaar helemaal uit. Zo weet ik straks precies wat ik waar wanneer wil gaan doen. Ieder gewas krijgt zijn eigen plek op zijn eigen tijdstip.

Maar ook in de besteding van onze tijd breng ik structuur aan. Zo zijn er dagen waarop de oogstgenoten welkom zijn. We werken met vaste vrijwilligerswerkdagen. En andere dagen in de week zijn bedoeld voor het geven van lessen aan basisscholen. Zo zitten die verschillende activiteiten elkaar niet in de weg. En ik moet bekennen dat ik het ook heerlijk vind om zo nu en dan helemaal alleen in de tuin bezig te zijn. Dus ook voor die momenten wordt ruimte gemaakt in de wekelijkse agenda.

Samen maakt die planning dat er een ritme en regelmaat in alle (wekelijkse) activiteiten zit. Daarmee wordt je week voorspelbaar en overzichtelijk. Drukke momenten wisselen af met rustige tijdstippen. Ik zou niet weten hoe ik een tuinderij als De Groentemeester moest runnen zonder gebruik te maken van ritme en regelmaat.

Er is ook iets opmerkelijks (en moois). Dat zal ik uitleggen. Vrijwilligers zijn bij mij niet gebonden aan een bepaalde vrijwilligerswerkdag. Zo kunnen mensen komend seizoen komen meehelpen op dinsdag, donderdag en/of zaterdag. Maar ze kiezen zelf óf, wanneer en hoe lang ze komen helpen. Dat mag per keer. Het enige wat ik verwacht is dat men het van te voren aangeeft wanneer en hoe lang men er is. Dat geeft mensen een grote mate van flexibiliteit en regie over de besteding van hun eigen tijd. 

Het opmerkelijke is dat vrijwel iedereen er een bepaald ritme op nahoudt. De meeste mensen kiezen één bepaalde dag in de week en een vaste tijd waarop ze er zullen zijn. Een ander gebruikt het werk in de tuin om even een half uurtje los te komen van kantoorwerk dat ze thuis aan het doen is en komt dus zo en dan aanwaaien. En weer een ander heeft geen behoefte aan iedere week een meewerkmoment, maar vindt het wel leuk om één keer in de maand te helpen. Al die verschillende ritmes en vormen van regelmaat zijn mogelijk. Maar het is wel fijn dat er ritmes zijn. Dat maakt het leggen van de grote puzzel op de tuin een stuk eenvoudiger.


Lijkt het je nou trouwens ook leuk om eens te helpen? Dat kan! Je hoeft er geen oogstgenoot voor te zijn, en je krijgt er veel gezelligheid, zinvolle lichaamsbeweging en een neus voor natuur voor terug. Kijk op www.degroentemeester.nl voor meer informatie. Of meld je gelijk aan als vrijwilliger via dit formulier.

--

Voor wie geïnteresseerd is in meer tips over timemanagement. Kijk eens in het aanbod van De Polderij. Ik kan een workshop verzorgen met de titel 'Handige handvatten'.

maandag 19 januari 2026

Zaadvast of hybride?

Januari is de maand waarin de plannen voor het komend seizoen afgemaakt worden. En dat betekent ook dat het plantgoed en de zaden besteld worden. En daarbij is toch steeds weer de terugkerende vraag: gaan we voor zaadvaste rassen of hybride rassen?

Zaadvast
Als een ras zaadvast is, dan houdt dat in dat je van de zaden van die plant ook weer (ongeveer) dezelfde planten krijgt. Dus een zaadvast tomatenras dat een lekkere, kleine, rode kerstomaat geeft, blijft als je dat zaad uit zo'n tomaatje gebruikt, gewoon een lekkere, kleine, rode kerstomaat. Maar als een tomatenras niet zaadvast is, dan kan er uit zo'n zelfgewonnen zaadje een heel andere tomaat tevoorschijn komen. Zaadvaste rassen zijn dus bij uitstek geschikt voor (moes)tuinders die met hun zelfgewonnen zaad het volgende jaar weer nieuwe planten willen kweken.
Er zijn bronnen die zeggen dat zaadvaste rassen ook gezonder en voedzamer zouden zijn dat hybride rassen. Maar of die claim klopt, weet ik niet.

Hybride
Hybride rassen hebben die eigenschap niet. Bij hybride rassen gebruikt de zaadleverancier een specifieke moeder- en vaderplant om steeds nageslacht te maken met vrijwel dezelfde eigenschappen. Waar exemplaren van zaadvaste planten onderling allemaal een klein beetje verschillen, is dat bij hybride rassen veel homogener. Het voordeel daarvan is dat bij hybride rassen de kans veel groter is dat al je bloemkolen, of al je pompoenen op hetzelfde moment oogstklaar zijn. Ze hebben veel meer de neiging om allemaal vruchten van dezelfde grootte of hetzelfde gewicht te geven. Hybride rassen passen daarom heel goed bij een industriële oogst en verwerking. Want omdat de oogst veel homogener is, kun je de machines die je voor de oogst en verwerking gebruikt beter ontwerpen of instellen. En hetzelfde geldt voor smaak of houdbaarheid. Daarin lijken de planten veel meer op elkaar dan bij zaadvaste rassen. Als je een consistente kwaliteit van een bepaalde eigenschap belangrijk vindt, dan kies je dus eerder hybride zaad dat precies die consistentie heeft van die eigenschap.

Maar er is ook een belangrijk nadeel van hybride rassen. De zaadleverancier heeft veel tijd en energie gestopt in het 'ontdekken' van de juiste combinatie van vader- en moederplant. En dat kunnen ze alleen maar terugverdienen met het verkopen van het nageslacht van deze planten: het zaad. Om die verkopen te waarborgen, houden ze de vader- en moederplant angstvallig geheim. Dus daarmee blijft de (moes)tuinder afhankelijk van de zaadleverancier om goede zaden te verkrijgen. Je zult er dus altijd voor moeten betalen. Terwijl dat in de natuur natuurlijk niet zo werkt.
Er zijn zelfs veredelaars die patenten op de genetische code van zaad proberen vast te leggen om ervoor te zorgen dat niemand anders 'hun' ontdekking kan gebruiken. 

Overwegingen
De discussie tussen zaadvast en hybride gaat dus vaak over de toegang tot zaad en de afhankelijkheid van tuinders ten opzichte van (grote) veredelingsbedrijven.
Bij De Groentemeester maken we gebruik van zowel zaadvaste als hybride rassen. Maar ik neig de laatste tijd wel iets meer naar zaadvaste rassen. Het lijkt me leuk om met zelfgewonnen zaad verder te kweken. Misschien krijgen we daardoor dan wel soorten die steeds meer specifiek zijn ingesteld op ons plekje op de wereldbol. En wat ook belangrijk is, is dat het ons minder afhankelijk maakt van derde partijen. Dat vind ik qua toegang tot ons voedsel ook wel een belangrijk punt om op de lange termijn aan te werken. En daarbij kan het ook nog eens in de portemonnee schelen. Want van een zaadvast ras hoef je voor het volgende teeltseizoen geen nieuwe zaden te kopen als je dat niet wilt. Je kunt ze zelf winnen en weer gebruiken.

Vorig seizoen heb ik van onze lekkere kerstomaat een fors aantal zaden gewonnen. Die heb ik gedroogd en netjes bewaard. En komend seizoen gaan we dus voor het eerst tomaten zaaien van zaad dat we zelf gewonnen hebben. Bij tomaten schijnt dit vrij ongecompliceerd te zijn. Bij gewassen zoals courgettes of pompoenen is er iets meer aandacht nodig bij het proces van bestuiven. En zo heeft ieder gewas daarin zijn eigen aandachtspunten. Als je daar meer over wil weten, raad ik je aan om het boekje 'Zelf zaden telen' van Velt aan te schaffen. 

Rassenproeven
Afgelopen jaar deed ik mee met rassenproeven. Ooit is dit project geïnitieerd door stichting Zaadgoed. En toen ik van dit project hoorde, heb ik me meteen aangemeld. Binnen het project doen tuinders uit heel Nederland en België mee. En iedere tuinder kiest een handvol gewassen waarvan ze verschillende variëteiten willen proberen. Ik deed afgelopen jaar mee met bieten, snijbonen, aubergines en paprika's. Van ieder gewas kregen we uitgangsmateriaal van tot wel 9 verschillende variëteiten. En dat ging uitsluitend om zaadvaste rassen. Het idee was dat je je als tuinder veel bewuster werd van de verschillende eigenschappen die planten kunnen hebben door ze naast elkaar te telen. En voor de oogstgenoten (en andere belangstellenden) was er een smaakevenement waarbij de verschillende variëteiten van de gewassen blind geproefd konden worden. 
Mijn deelname aan het project heeft bij mij wel wat bewustwording opgeleverd over het werken met zaadvaste rassen. En vandaar dat ik nu ook meer neig naar het gebruik van zaadvaste rassen. 

zondag 11 januari 2026

Vruchtwisseling, monocultuur en polycultuur

Iedereen die een moestuin of een tuinderij heeft, zal herkennen dat vrijwel alle oogst in enige mate te lijden heeft onder aantastingen. Plagen en ziekten kunnen in je gewassen komen en je oogst (deels) bederven. Eén van de uitdagingen voor een tuinder is dan ook om die ziekten en plagen het hoofd te bieden.

‘Slimme’ wetenschappers hebben daarvoor allerlei middeltjes uitgevonden die je eenvoudig over je gewassen kunt sproeien. En die neutraliseren die beestjes en schimmels dan. Pesticiden noemen we die. Dat daar ook een hoop nadelen aan zitten, begint langzamerhand duidelijk te worden. En daarom zijn er gelukkig steeds meer mensen die geen pesticiden meer willen gebruiken.

Maarja, wat dan? Want die plagen en ziekten knabbelen wel gewoon verder aan je oogst als je niet op let. Gelukkig bestaan er veel methoden om die plagen en ziekten te minimaliseren. Voordat de pesticiden werden uitgevonden bedreven mensen namelijk al zo’n 10.000 jaar landbouw. En in die 10.000 jaar is best wat kennis opgebouwd en zijn vele mensen gevoed. Eén van de methoden die altijd al gebruikt werd, was het gebruik van een vruchtwisselingssysteem in kleinschalige tuinderijen. Om goed uit te leggen hoe dat werkt, wil ik eerst twee andere begrippen toelichten, namelijk: monocultuur en polycultuur.

Monocultuur

Bij een systeem van monocultuur verbouwt een boer of tuinder op zijn veld maar één gewas. Bijvoorbeeld alleen spruiten. Het voordeel daarvan is dat de boer zich kan specialiseren op dit gewas. Hij weet op welk moment hij moet zaaien, wieden en oogsten. Hij herkent aantastingen en kan daarop snel handelen. En zijn machines kunnen helemaal ingericht worden op de teelt van spruiten.

Maar vanuit het perspectief van het voorkomen van ziekten en plagen is dit het meest kwetsbare systeem dat je kunt bedenken. Want stel nou dat er een koolwitje landt in dit veld. Dat koolwitje kan zijn voelsprieten niet geloven. Want overal waar hij kijkt, waar hij ook heen vliegt, en waar hij ook landt, daar ziet ie zijn favoriete kostje: allemaal koolplanten. Nooit meer honger! Als goede ouder zal hij of zij denken: hier ga ik zorgen voor mijn nageslacht. En dan komen de rupsen. Zo’n heel leger rupsen doen de planten geen goed en zorgen voor een verminderde opbrengst en allerlei verontreiniging van rupsenpoepjes in de oogst.

Of stel nou dat er een schimmel in de bodem zit die zich alleen maar kan vermeerderen op koolplanten: knolvoet. Die slapende schimmel hangt daar tussen de voedingstoffen, de kleideeltjes en de zandkorrels in. En dan krijgt ie door dat er een wortel van zo’n koolplantje in de buurt komt. Daar wordt hij wakker van. En dan wordt hij actief. Hij zoekt de wortels op en komt er achter dat er heel veel wortels van koolplanten zijn. Hij is in de schimmelhemel beland! De schimmel dringt binnen in de planten, zorgt daar voor allerlei vergroeiingen in de wortelstelsels en het gevolg daarvan is dat de koolplanten zich niet goed ontwikkelen, makkelijk omvallen en een veel lagere opbrengst geven. De schimmel voltooit zijn cyclus door uiteindelijk uit rottende plantendelen sporen uit te stoten. Die sporen gaan weer slapend de bodem in. Wachtend op volgend jaar als de boer weer nieuwe kolen gaat zetten.

Als je jaar na jaar op dezelfde plek gewassen teelt uit dezelfde plantenfamilie, dan zorgen deze plagen ervoor dat je oogst steeds verder zal afnemen. En dan kun je eigenlijk alleen nog maar grijpen naar pesticiden die de plagen doden.

Polycultuur (of combinatieteelt)

De natuur werkt anders. Gezonde systemen in de natuur, zoals een gezond bos of een gezonde slootkant, kennen een hoge mate van diversiteit. Er staan altijd planten van allerlei verschillende plantenfamilies door elkaar in zo’n systeem. In de moestuin kunnen we dit ook doen. Dus niet alle kolen bij elkaar. En alle prei bij elkaar. En alle wortels bij elkaar. Nee, je zet ze expres door elkaar heen. Als zo’n koolwitje dan per toeval op zo’n koolplantje landt, ziet ie dat de plant ernaast iets is dat hij minder lekker vindt. Of misschien vindt hij het zelfs wel helemaal niet te eten. Hij moet dan weer op zoek naar de volgende plant die hij wel lekker vindt. Daar raakt hij van in de war. En hij zal liever naar een plek op zoek gaan waar het makkelijker is voor zijn nageslacht.

Hetzelfde geldt voor de knolvoetschimmel. Want die zal zich niet in de schimmelhemel wanen, omdat er ook allerlei andere planten (met bijbehorende schimmels) in die bodem actief zijn. Dat maakt dat het voor de schimmel veel moeilijker is om dominantie te vergaren. En dat is voor de gezondheid van de koolplanten in het systeem goed nieuws.

Dus polycultuur met alle diversiteit is een groot antwoord op allerlei plagen en ziekten. En als je een kleine moestuin hebt, zou ik adviseren om op deze manier je tuintje in te richten. Jij weet toch wel wat je waar neergezet hebt. Dus met oogsten moet dat ook goed gaan.

Maar als je een wat grotere tuinderij hebt (zoals De Groentemeester van een halve hectare) dan wordt een polycultuur wat onwerkbaar. We hebben ook enige mate van efficiency nodig. En bij een zelfoogsttuin als De Groentemeester telt ook nog mee dat het voor de oogstgenoten duidelijk moet zijn wat waar te oogsten is. Als alles door elkaar staat, maken we het ons zelf heel moeilijk om dat goed te kunnen aangeven. Dus daarom is een echte polycultuur niet echt een optie in zo’n systeem.

Wisselteelt

En daar komt het vruchtwisselingsysteem om de hoek kijken. Kortgezegd komt het er op neer dat je gewassen die tot dezelfde plantenfamilie behoren (of die last hebben van dezelfde plagen) toch gewoon  bij elkaar neerzet. Maar ieder groeiseizoen zorg je ervoor dat ze op een andere plek in je tuin staan. Zo profiteer je van een zekere efficiëntie, maar kun je er bij een slimme indeling ook voor zorgen dat je plagen net een stapje voor blijft. Want die knolvoet bijvoorbeeld, voltooit zijn cyclus in een jaar. Aan het eind van het jaar legt hij de slapende schimmel weer in de grond die gaat liggen wachten tot het jaar erna weer koolplanten komen. En in een wisselteeltsysteem komen er gedurende een aantal jaren dus geen koolplanten op die plek. Die knolvoetschimmel verpietert dan hopelijk grotendeels.

En hetzelfde geldt voor plagen als rupsen. Overblijvende eitjes en poppen worden het volgende jaar wakker in een bed met gewassen die ze helemaal niet lekker vinden.

Op kleinschalige tuinderijen combineren we de voordelen van monocultuur en polycultuur in één systeem van vruchtwisseling. We hebben de voordelen van de efficiëntie van monocultuur en de voordelen van de diversiteit van de polycultuur, want de plotjes met één gewas zijn relatief klein.

Andere voordelen van een vruchtwisselingsysteem zitten hem in beschikbaarheid van voeding. Koolplanten en vruchtgewassen vragen om veel voeding en putten de bodem dan ook meer uit dan bijvoorbeeld, uien of sla. Alle peulgewassen brengen zelfs ook voeding in de bodem in. Door deze plantenfamilies in een goede volgorde te laten rondgaan door ieder plekje van je tuin, kun je een systeem creëren dat steeds gezonder wordt. Dat vraagt iets meer van een boer of tuinder dan kennis van één bepaald gewas. Maar dan kun je dus wel voedsel telen zonder gebruik te maken van pesticiden. Zoals we al tienduizend jaar gewend waren om te doen.