‘Slimme’ wetenschappers hebben daarvoor allerlei middeltjes
uitgevonden die je eenvoudig over je gewassen kunt sproeien. En die neutraliseren
die beestjes en schimmels dan. Pesticiden noemen we die. Dat daar ook een hoop
nadelen aan zitten, begint langzamerhand duidelijk te worden. En daarom zijn er
gelukkig steeds meer mensen die geen pesticiden meer willen gebruiken.
Maarja, wat dan? Want die plagen en ziekten knabbelen wel
gewoon verder aan je oogst als je niet op let. Gelukkig bestaan er veel methoden
om die plagen en ziekten te minimaliseren. Voordat de pesticiden werden
uitgevonden bedreven mensen namelijk al zo’n 10.000 jaar landbouw. En in die
10.000 jaar is best wat kennis opgebouwd en zijn vele mensen gevoed. Eén van de methoden die altijd al
gebruikt werd, was het gebruik van een vruchtwisselingssysteem in kleinschalige tuinderijen. Om goed uit te
leggen hoe dat werkt, wil ik eerst twee andere begrippen toelichten, namelijk:
monocultuur en polycultuur.
Monocultuur
Bij een systeem van monocultuur verbouwt een boer of tuinder
op zijn veld maar één gewas. Bijvoorbeeld alleen spruiten. Het voordeel daarvan
is dat de boer zich kan specialiseren op dit gewas. Hij weet op welk moment hij
moet zaaien, wieden en oogsten. Hij herkent aantastingen en kan daarop snel
handelen. En zijn machines kunnen helemaal ingericht worden op de teelt van
spruiten.
Maar vanuit het perspectief van het voorkomen van ziekten en
plagen is dit het meest kwetsbare systeem dat je kunt bedenken. Want stel nou
dat er een koolwitje landt in dit veld. Dat koolwitje kan zijn voelsprieten
niet geloven. Want overal waar hij kijkt, waar hij ook heen vliegt, en waar hij
ook landt, daar ziet ie zijn favoriete kostje: allemaal koolplanten. Nooit meer
honger! Als goede ouder zal hij of zij denken: hier ga ik zorgen voor mijn
nageslacht. En dan komen de rupsen. Zo’n heel leger rupsen doen de planten geen
goed en zorgen voor een verminderde opbrengst en allerlei verontreiniging van
rupsenpoepjes in de oogst.
Of stel nou dat er een schimmel in de bodem zit die zich
alleen maar kan vermeerderen op koolplanten: knolvoet. Die slapende schimmel hangt
daar tussen de voedingstoffen, de kleideeltjes en de zandkorrels in. En dan
krijgt ie door dat er een wortel van zo’n koolplantje in de buurt komt. Daar
wordt hij wakker van. En dan wordt hij actief. Hij zoekt de wortels op en komt
er achter dat er heel veel wortels van koolplanten zijn. Hij is in de schimmelhemel
beland! De schimmel dringt binnen in de planten, zorgt daar voor allerlei vergroeiingen
in de wortelstelsels en het gevolg daarvan is dat de koolplanten zich niet goed
ontwikkelen, makkelijk omvallen en een veel lagere opbrengst geven. De schimmel
voltooit zijn cyclus door uiteindelijk uit rottende plantendelen sporen uit te
stoten. Die sporen gaan weer slapend de bodem in. Wachtend op volgend jaar als
de boer weer nieuwe kolen gaat zetten.
Als je jaar na jaar op dezelfde plek gewassen teelt uit dezelfde
plantenfamilie, dan zorgen deze plagen ervoor dat je oogst steeds verder zal
afnemen. En dan kun je eigenlijk alleen nog maar grijpen naar pesticiden die de
plagen doden.
Polycultuur (of combinatieteelt)
De natuur werkt anders. Gezonde systemen in de natuur, zoals
een gezond bos of een gezonde slootkant, kennen een hoge mate van diversiteit.
Er staan altijd planten van allerlei verschillende plantenfamilies door elkaar
in zo’n systeem. In de moestuin kunnen we dit ook doen. Dus niet alle kolen bij
elkaar. En alle prei bij elkaar. En alle wortels bij elkaar. Nee, je zet ze
expres door elkaar heen. Als zo’n koolwitje dan per toeval op zo’n koolplantje landt,
ziet ie dat de plant ernaast iets is dat hij minder lekker vindt. Of misschien
vindt hij het zelfs wel helemaal niet te eten. Hij moet dan weer op zoek naar
de volgende plant die hij wel lekker vindt. Daar raakt hij van in de war. En hij
zal liever naar een plek op zoek gaan waar het makkelijker is voor zijn nageslacht.
Hetzelfde geldt voor de knolvoetschimmel. Want die zal zich
niet in de schimmelhemel wanen, omdat er ook allerlei andere planten (met
bijbehorende schimmels) in die bodem actief zijn. Dat maakt dat het voor de
schimmel veel moeilijker is om dominantie te vergaren. En dat is voor de
gezondheid van de koolplanten in het systeem goed nieuws.
Dus polycultuur met alle diversiteit is een groot antwoord
op allerlei plagen en ziekten. En als je een kleine moestuin hebt, zou ik
adviseren om op deze manier je tuintje in te richten. Jij weet toch wel wat je
waar neergezet hebt. Dus met oogsten moet dat ook goed gaan.
Maar als je een wat grotere tuinderij hebt (zoals De
Groentemeester van een halve hectare) dan wordt een polycultuur wat onwerkbaar.
We hebben ook enige mate van efficiency nodig. En bij een zelfoogsttuin als De
Groentemeester telt ook nog mee dat het voor de oogstgenoten duidelijk moet
zijn wat waar te oogsten is. Als alles door elkaar staat, maken we het ons zelf
heel moeilijk om dat goed te kunnen aangeven. Dus daarom is een echte polycultuur
niet echt een optie in zo’n systeem.
Wisselteelt
En daar komt het vruchtwisselingsysteem om de hoek kijken. Kortgezegd
komt het er op neer dat je gewassen die tot dezelfde plantenfamilie behoren (of
die last hebben van dezelfde plagen) toch gewoon bij elkaar neerzet. Maar ieder groeiseizoen
zorg je ervoor dat ze op een andere plek in je tuin staan. Zo profiteer je van
een zekere efficiëntie, maar kun je er bij een slimme indeling ook voor zorgen
dat je plagen net een stapje voor blijft. Want die knolvoet bijvoorbeeld, voltooit
zijn cyclus in een jaar. Aan het eind van het jaar legt hij de slapende
schimmel weer in de grond die gaat liggen wachten tot het jaar erna weer
koolplanten komen. En in een wisselteeltsysteem komen er gedurende een aantal
jaren dus geen koolplanten op die plek. Die knolvoetschimmel verpietert dan hopelijk grotendeels.
En hetzelfde geldt voor plagen als rupsen. Overblijvende eitjes
en poppen worden het volgende jaar wakker in een bed met gewassen die ze
helemaal niet lekker vinden.
Op kleinschalige tuinderijen combineren we de voordelen van monocultuur en polycultuur in één systeem van vruchtwisseling. We hebben de voordelen van de efficiëntie van monocultuur en de voordelen van de diversiteit van de polycultuur, want de plotjes met één gewas zijn relatief klein.
Andere voordelen van een vruchtwisselingsysteem zitten hem
in beschikbaarheid van voeding. Koolplanten en vruchtgewassen vragen om veel
voeding en putten de bodem dan ook meer uit dan bijvoorbeeld, uien of sla. Alle
peulgewassen brengen zelfs ook voeding in de bodem in. Door deze plantenfamilies
in een goede volgorde te laten rondgaan door ieder plekje van je tuin, kun je
een systeem creëren dat steeds gezonder wordt. Dat vraagt iets meer van een
boer of tuinder dan kennis van één bepaald gewas. Maar dan kun je dus wel
voedsel telen zonder gebruik te maken van pesticiden. Zoals we al tienduizend
jaar gewend waren om te doen.

