zondag 11 januari 2026

Vruchtwisseling, monocultuur en polycultuur

Iedereen die een moestuin of een tuinderij heeft, zal herkennen dat vrijwel alle oogst in enige mate te lijden heeft onder aantastingen. Plagen en ziekten kunnen in je gewassen komen en je oogst (deels) bederven. Eén van de uitdagingen voor een tuinder is dan ook om die ziekten en plagen het hoofd te bieden.

‘Slimme’ wetenschappers hebben daarvoor allerlei middeltjes uitgevonden die je eenvoudig over je gewassen kunt sproeien. En die neutraliseren die beestjes en schimmels dan. Pesticiden noemen we die. Dat daar ook een hoop nadelen aan zitten, begint langzamerhand duidelijk te worden. En daarom zijn er gelukkig steeds meer mensen die geen pesticiden meer willen gebruiken.

Maarja, wat dan? Want die plagen en ziekten knabbelen wel gewoon verder aan je oogst als je niet op let. Gelukkig bestaan er veel methoden om die plagen en ziekten te minimaliseren. Voordat de pesticiden werden uitgevonden bedreven mensen namelijk al zo’n 10.000 jaar landbouw. En in die 10.000 jaar is best wat kennis opgebouwd en zijn vele mensen gevoed. Eén van de methoden die altijd al gebruikt werd, was het gebruik van een vruchtwisselingssysteem in kleinschalige tuinderijen. Om goed uit te leggen hoe dat werkt, wil ik eerst twee andere begrippen toelichten, namelijk: monocultuur en polycultuur.

Monocultuur

Bij een systeem van monocultuur verbouwt een boer of tuinder op zijn veld maar één gewas. Bijvoorbeeld alleen spruiten. Het voordeel daarvan is dat de boer zich kan specialiseren op dit gewas. Hij weet op welk moment hij moet zaaien, wieden en oogsten. Hij herkent aantastingen en kan daarop snel handelen. En zijn machines kunnen helemaal ingericht worden op de teelt van spruiten.

Maar vanuit het perspectief van het voorkomen van ziekten en plagen is dit het meest kwetsbare systeem dat je kunt bedenken. Want stel nou dat er een koolwitje landt in dit veld. Dat koolwitje kan zijn voelsprieten niet geloven. Want overal waar hij kijkt, waar hij ook heen vliegt, en waar hij ook landt, daar ziet ie zijn favoriete kostje: allemaal koolplanten. Nooit meer honger! Als goede ouder zal hij of zij denken: hier ga ik zorgen voor mijn nageslacht. En dan komen de rupsen. Zo’n heel leger rupsen doen de planten geen goed en zorgen voor een verminderde opbrengst en allerlei verontreiniging van rupsenpoepjes in de oogst.

Of stel nou dat er een schimmel in de bodem zit die zich alleen maar kan vermeerderen op koolplanten: knolvoet. Die slapende schimmel hangt daar tussen de voedingstoffen, de kleideeltjes en de zandkorrels in. En dan krijgt ie door dat er een wortel van zo’n koolplantje in de buurt komt. Daar wordt hij wakker van. En dan wordt hij actief. Hij zoekt de wortels op en komt er achter dat er heel veel wortels van koolplanten zijn. Hij is in de schimmelhemel beland! De schimmel dringt binnen in de planten, zorgt daar voor allerlei vergroeiingen in de wortelstelsels en het gevolg daarvan is dat de koolplanten zich niet goed ontwikkelen, makkelijk omvallen en een veel lagere opbrengst geven. De schimmel voltooit zijn cyclus door uiteindelijk uit rottende plantendelen sporen uit te stoten. Die sporen gaan weer slapend de bodem in. Wachtend op volgend jaar als de boer weer nieuwe kolen gaat zetten.

Als je jaar na jaar op dezelfde plek gewassen teelt uit dezelfde plantenfamilie, dan zorgen deze plagen ervoor dat je oogst steeds verder zal afnemen. En dan kun je eigenlijk alleen nog maar grijpen naar pesticiden die de plagen doden.

Polycultuur (of combinatieteelt)

De natuur werkt anders. Gezonde systemen in de natuur, zoals een gezond bos of een gezonde slootkant, kennen een hoge mate van diversiteit. Er staan altijd planten van allerlei verschillende plantenfamilies door elkaar in zo’n systeem. In de moestuin kunnen we dit ook doen. Dus niet alle kolen bij elkaar. En alle prei bij elkaar. En alle wortels bij elkaar. Nee, je zet ze expres door elkaar heen. Als zo’n koolwitje dan per toeval op zo’n koolplantje landt, ziet ie dat de plant ernaast iets is dat hij minder lekker vindt. Of misschien vindt hij het zelfs wel helemaal niet te eten. Hij moet dan weer op zoek naar de volgende plant die hij wel lekker vindt. Daar raakt hij van in de war. En hij zal liever naar een plek op zoek gaan waar het makkelijker is voor zijn nageslacht.

Hetzelfde geldt voor de knolvoetschimmel. Want die zal zich niet in de schimmelhemel wanen, omdat er ook allerlei andere planten (met bijbehorende schimmels) in die bodem actief zijn. Dat maakt dat het voor de schimmel veel moeilijker is om dominantie te vergaren. En dat is voor de gezondheid van de koolplanten in het systeem goed nieuws.

Dus polycultuur met alle diversiteit is een groot antwoord op allerlei plagen en ziekten. En als je een kleine moestuin hebt, zou ik adviseren om op deze manier je tuintje in te richten. Jij weet toch wel wat je waar neergezet hebt. Dus met oogsten moet dat ook goed gaan.

Maar als je een wat grotere tuinderij hebt (zoals De Groentemeester van een halve hectare) dan wordt een polycultuur wat onwerkbaar. We hebben ook enige mate van efficiency nodig. En bij een zelfoogsttuin als De Groentemeester telt ook nog mee dat het voor de oogstgenoten duidelijk moet zijn wat waar te oogsten is. Als alles door elkaar staat, maken we het ons zelf heel moeilijk om dat goed te kunnen aangeven. Dus daarom is een echte polycultuur niet echt een optie in zo’n systeem.

Wisselteelt

En daar komt het vruchtwisselingsysteem om de hoek kijken. Kortgezegd komt het er op neer dat je gewassen die tot dezelfde plantenfamilie behoren (of die last hebben van dezelfde plagen) toch gewoon  bij elkaar neerzet. Maar ieder groeiseizoen zorg je ervoor dat ze op een andere plek in je tuin staan. Zo profiteer je van een zekere efficiëntie, maar kun je er bij een slimme indeling ook voor zorgen dat je plagen net een stapje voor blijft. Want die knolvoet bijvoorbeeld, voltooit zijn cyclus in een jaar. Aan het eind van het jaar legt hij de slapende schimmel weer in de grond die gaat liggen wachten tot het jaar erna weer koolplanten komen. En in een wisselteeltsysteem komen er gedurende een aantal jaren dus geen koolplanten op die plek. Die knolvoetschimmel verpietert dan hopelijk grotendeels.

En hetzelfde geldt voor plagen als rupsen. Overblijvende eitjes en poppen worden het volgende jaar wakker in een bed met gewassen die ze helemaal niet lekker vinden.

Op kleinschalige tuinderijen combineren we de voordelen van monocultuur en polycultuur in één systeem van vruchtwisseling. We hebben de voordelen van de efficiëntie van monocultuur en de voordelen van de diversiteit van de polycultuur, want de plotjes met één gewas zijn relatief klein.

Andere voordelen van een vruchtwisselingsysteem zitten hem in beschikbaarheid van voeding. Koolplanten en vruchtgewassen vragen om veel voeding en putten de bodem dan ook meer uit dan bijvoorbeeld, uien of sla. Alle peulgewassen brengen zelfs ook voeding in de bodem in. Door deze plantenfamilies in een goede volgorde te laten rondgaan door ieder plekje van je tuin, kun je een systeem creëren dat steeds gezonder wordt. Dat vraagt iets meer van een boer of tuinder dan kennis van één bepaald gewas. Maar dan kun je dus wel voedsel telen zonder gebruik te maken van pesticiden. Zoals we al tienduizend jaar gewend waren om te doen.